Sidderaal

Denkend aan het klimaat neig ik tot  fatalisme. Maatregelen vind ik prima, probeer zelf ook het een en ander  en that’s it. Ik lig er niet wakker van.
Maar toen  van de week een zenuwachtige vis zich liet zien en vroeg of hij hier veilig was raakte het me toch.
Ik zat aan de Maas en keek op toen zijn kop uit het water stak. Hij bleef me trillend  aankijken, ik liep dichter naar de kant en vroeg wat er was.
– Waar ben ik? was zijn wedervraag.
‘In Nederland. Ben je ziek? Heb je koorts?’
– Nee mevrouw, ik ben een sidderaal. Wacht…-  hij maakte een salto zodat ik hem even in zijn geheel zag.
‘Aha, dan ben je ver van huis. Hoe komt dat zo?’
– Ik logeer bij een Europese stroommaatschappij en ging een golfje om. Al piekerend was ik plotseling hier.
‘Piekeren? Toch niet over het water? Je bent een vis!’
– Mevrouw, wanneer de zee teveel stijgt loopt onze huisrivier over en vermengt zich met het zeewater. En ik ben een zoetwatervis.  Denk-het-je-eens-in.
‘Ach gos, daar had ik helemaal niet aan gedacht. Heb je de viskundigen   al ingelicht?’
– Jazeker. Maar ik hoor niets van ze. En wat moet ik straks, ik heb vrouwen en kinderen….boeblubhoe.. we willen niet dood.

Ik kreeg meelij met de zielepoot, de angst deed hem nog harder sidderen.
‘Weet je wat? Geef me je logeeradres, ik bel ze dat ze je moeten ophalen en vertel meteen van je zorgen. Zij maken er werk van. Hoe vind je dat?’
– O mevrouw, als U dat wil doen, hartelijk dank, dankuwel, reuze!
Van opluchting liep er een extra rilling over zijn lijf.
=

Nu denk ik niet alleen aan Sidders probleem, ook aan de krokodillen die we bij overstromingen  in Californië en Australië al zagen.
En aan jungledieren, wild en waarschijnlijk gevaarlijk. Ze vluchten met de mensen mee omhoog. Ik neem aan, hoop het tenminste, dat daar over nagedacht is.
Een noodplan voor dieren lijkt me nog harder nodig dan voor mensen.
Zij kunnen zich niet voorbereiden.
=

Afval dumpen

Een brutaal verschijnsel, zeg maar gerust onbeschoft.
Het bestaat al zolang ik me kan herinneren. Vroeger was er weliswaar minder afval maar het beetje dàt er was vond je overal. Op zwembadvelden en stranden, in berm en bos, de eerste plastic tasjes.
Zouden wij nooit doen. Dachten we.
En toch deden we het, op een zondagnamiddag.
Bijna.

We waren bij een kennis die ons overviel met een paar kilo aardappelen. ‘Kijk,’ zei-t-ie, ‘hartstikke lekkere piepers maar ik heb er te veel an, nemen jullie de rest maar mee.  Zonde om weg te gooien. Gezond want onbespoten,’ prees hij aan.
Dat kon je wel zien, overbluft pakten we de jute zak  waar paarswitte stelen door de stof staken. Ik protesteerde. ‘Ze lopen al al uit, hoe oud zijn ze wel niet?’
Hij wuifde mijn woorden weg. ‘Gaat nog best.
Enfin.
Op de terug weg zat ik met die troep aan mijn voeten.
‘Het stinkt nogal, kun je ergens stoppen om het weg te gooien? Tenslotte is het natuurlijk afval, het rot vanzelf weg.’ (Er waren nog geen kliko’s)
‘Uhm, ja, ik rij wel door het bos.’
Dat deden we. Maar het was een mooiweerdag: overal wandelaars en fietsers die op je vingers zouden kijken. Daar had echtgenoot een hekel aan.
Daarna langs stille weilandweggetjes. Over binnenwegen langs de Maas. Uiteindelijk kwamen we in een natuurgebiedje met grote afvalbakken. Helaas, ook daar waren teveel pottenkijkers. We durfden het niet, bangebroeken als we waren.

Thuisgekomen verdeelden we ze over een stapel kranten zodat ze in de vuilnisemmer konden, telkens één lading per ophaalbeurt.
Maar met wat meer lef  zou ik het zonder gewetensbezwaar in de berm hebben gegooid.
Leek me minder erg dan de lollystokjes, kogelfkesjes, snoepzakken  en andere narigheid.
=

.

Hoog water, herinnering.

Na de eerste zomer in Brabant dachten we de Maas te kennen.
Stijgend water hadden we nog niet meegemaakt, wel hoorden we verhalen over  Beerse Overlaat
Die bestond niet meer maar we begrepen dat de uiterwaarden nog regelmatig volliepen.
We geloofden het een beetje, zonder beelden  was het lastig dit voor je te zien.
Toen werd het winter en voor ons huis zagen we plasjes Maaswater op de weilanden. Het deed ons denken aan drassige weilanden, die kenden we.

Tot we op een ochtend wakker werden en op een enorme Maas uitkeken die aan beide zijden uitgedijd was tot bijna aan de voet van de dijken.
Echt, we wisten niet wat we zagen.
Dit hadden we niet verwacht, een water zo indrukwekkend, mede door de stroming. Paaltjes en bovenstukken van bakenbomen, hier en daar een randje prikkeldraad met flarden van plastic (ook toen al!), de pont die opgetrokken lag op een veilige plek.  Vele meters hoger.
We werden er stil van, het was niet te vergelijken met het ijsbrekertje in een bevroren Zaan.
Nu geloofden we het.

Foto’s zijn van Pixabay maar geven een redelijk beeld. filmpje  is van voor mijn tijd, begint op 30 seconden.

 

 

Fietsen

Kom, dacht ik na de lunch, laat ik eens een ouderwets eindje fietsen. Het ziet er zonnig uit en met de hitte zal het wel meevallen.

Bij het opstappen voelde ik de warmte; hier hield ik me opnieuw voor de gek: straks in het open veld is er frisse wind.
Na vijf minuten reed ik dat open veld in. (de omgeving hier bestaat uit niets anders).
Toen geloofde ik alsnog de weersvoorspelling.
Hup Bertus, sprak ik mezelf toe, warme wind is ook wind, nog een klein stukje  naar de Maas. En verdomd, na tien kilometer haalde ik het. Rechtuit het water in reed ik,  fietste een rondje naar de overkant en terug, zwaaide naar de pont en kroop aan wal.
Nu kon ik er weer tegen en reed nogmaals tien bradende kilometers, ditmaal richting bos. Alweer een verrukking, zwaaiend aan koele lianen speelde ik Jane zonder Tarzan, het zal hem in de aanloop te heet zijn geweest maar het hinderde niet.
Restte  nog een stukje huiswaarts. Dat was zwaar. Gelukkig staan er meevoelende bloemen in de achtertuin; ze zwaaiden bij thuiskomst en wenkten me naar het vijvertje, trokken een stoel bij en zo rustte ik uit.
Een ritje door de Maas, zwaaironde door het bos en een voetbad tussen de lelies, mooi hoor.
Laat de boeren maar dorsen

Zomerpraatje


Dat heb je in de zomer, lange avonden die heel kort zijn.

Buiten zitten, soms nog wat vegen of plukken, voor een boek is het niet altijd licht genoeg of de sfeer past niet bij het verhaal. Wanneer je uiteindelijk naar binnen verhuist is het laat en de avond opeens om.
Ik houd er wel van, het duurt maar een paar maanden en die buit ik uit; bij regenweer is er het afdak, tuindeuren kunnen openblijven. Heerlijk.
Niet iedereen is gecharmeerd van deze avonden. Een van de zussen vervloekte ze al na één week, ze werd ongedurig en sloot het liefst om 9 uur ramen en gordijnen, warmte en zweet negerend. ‘Het wìl maar niet donker worden’, foeterde ze.
Ook de warmte is niet altijd welkom en vliegen nog minder.
Er zijn mensen die zon, vliegen en hitte ontwijken door binnen te blijven in een koele ruimte.
Eens logeerden we bij een stel dat de hele zomer in zo’n koele kamer bivakkeerde. Geen zon, geen vliegen, geen hitte, jubelend zaten ze de hete zomer te trotseren met een kopje koffie. ’s Avonds verkasten ze naar de televisiekamer waar eveneens alles zorgvuldig gesloten was maar wel een fles wijn geopend werd waardoor we het nog benauwder  kregen.
Na twee dagen ontploften we zowat. Naar buitenlucht snakten we, op de fiets een lauwe wind voelen, langs de Maas rijden, koude biertjes drinken op een terras, desnoods met een zweetlaagje.
Hoe anderen het ervaren weet ik niet maar in een afgesloten halfdonkere ruimte voelden we ons opgesloten. Onprettig.
Ongezellig. Opgedreven. You name it.
Mocht ik werkelijk last hebben van de zomer zet ik wel een luie stoel en leeslamp  in douchecel of badkamer. Eventueel maak ik plaats in de ijskist.
Gegarandeerd koel.