Naar de hemel? Dat ligt eraan.

Na lang zoeken bevind ik me in een saaie wolkenbuurt die voor een grote poort ligt. Weinig indrukwekkend. Geen engel, doodse stilte.
Zou ik het doen? Aanbellen? Als ze me maar niet wegjagen.
Ik doe het, ik wil een antwoord.
Gramstorig komt een norse kerel naar de deur. Petrus.
Je hoort hier nog niet. Dom mens.
Nou zeg, zijn dat hier de manieren?
Houd je in, maan ik mezelf en vraag – Is God zelf aanwezig?
Niet voor de levenden, gromt de man. Waar gaat het over?
– ik wil weten of braaf-zijn de moeite loont.
En? blaft hij.
– ’t Is hier waardeloos.
Hij pakt me beet, zwaait een paar keer en gooit me neruit.
– Val me niet meer lastig, jij!
Opgelucht land ik op mijn luie stoel. Wat een knoest, voor die hemel ga ik me niet meer uitsloven. Braaf zijn, het mocht wat.
Bevrijd keur ik de nieuwste xtc en open de cognacfles. Daarna vloek ik de buurman stijf en verkoop zijn valse hond een rotschop.
Het leven is vurrukkulluk.
==

Bezoek aan Petrus 1

Aandachtig rondkijkend dwaal ik door de hemel. Het is er doodsaai.
Petrus tikt me op de schouder.
– Je bent te vroeg, mens.
O, zeg ik, ik wilde even checken of braaf zijn de moeite loont.
– En?
Nee. Er is hier niets te beleven, al die goedheid maakt me nerveus.
Beledigd pakt hij me op en gooit me eruit.
Opgelucht land ik op mijn bed.
Dit had ik als kind moeten weten, nooit meer braaf zijn, wat een feest.