De daas is dood.

Languit op de ligstoel, profiteren van een echte zomerdag. Dacht ik.
Vijf hele minuten.
Toen verscheen er een paardenvlieg in mijn blikveld, een soort daas, een lange met grijzige strepen, ja die, wiens familie me al vaker roodgenopt had gebeten.
Geschrokken greep ik me vast aan mepper en krant. Hij rondde een flinke bocht  en dook op mijn blote voeten. Ik schopte en hij vloog naar mijn hoofd waarop ik in zijn gezicht hoestte en hij bezwijmd op de armleuning viel.
Maar dan.
-Ik moet bekennen dat ik insecten makkelijk dood mep of plat trap behalve als ze te groot zijn. Ze knerpen onder je schoen of soppen een lijkvlek in de krant waardoor je letterlijk denkt aan moord en bij het bekijken van de drabbige substantie waan je je een dierenbeul. –
Wat nu te doen met het flauwgevallen beest.
Met de mepper veegde ik hem op de krant en liep ermee naar de kliko, daar mocht hij uitzieken.  Halverwege echter bewoog hij weer, paniekerig liet ik hem vallen en sloeg alsnog met de krant.
Te hard, zo bleek.
Het nieuws was bijna  in tweeën en de daas in soepvorm,  losgerukte pootjes plakten op Brexit, saillant detail.

Zoiets was het

Ergernisjes


Ligstoel neergeklapt, bak met camera/gsm/telefoon/tablet op kruk ernaast, boek, zonneklep.
Ik lag lekker maar het gras wuifde zo hoog. Eerst maar even maaien.
Herinstallatie. Luie positie zoekend viel me het te uitbundige onkruid op. Hm, eerst maar even wieden.
Re-herinstallatie; kreun, hmmmm heerlijk. Maar die ramen van de schuur, met al die webben… eerst maar even ragen.
Her-re-installatieinstallatie.  Vastbesloten. Ogen dicht. O zalige zon zo warm ik geniet en droom eindelijk weg. —– Hond slaat aan, ergens, hysterische keffer antwoordt, ik schrik me lam en zoek het geweer. Eerst maar effe schieten.