Het Orakelboek

Het bestaat nog steeds en de antwoorden blijven orakels, haast niet te interpreteren. Enkele vragen die ik indertijd stelde.

Zijn we gelukkig?
 –  Je hebt de letter B gekozen: Iemand wiens naam met een B begint staat je in de weg.

Blijven we voor altijd bij elkaar?
 –  De Maagd dringt er bij je op aan om ervan af te zien

Houdt Moppie (onze hond) van ons?
–  De steen die je hebt gekozen is de Smaragd: twijfel er niet eens aan.

Is liefde echt blind?
– De handlijnkundige ziet een lange middelvinger. Speel met het idee en kijk wat er gebeurt.

Bestaat ‘love at first bite’?
 De Kaarten zijn uit elkaar gevallen: de vraag die je stelt is een onmogelijkheid.

Houd ik van mijn medebloggers?
Je hebt de Sodaliet gekozen: het kan zijn dat er al een beslissing is genomen.

Is liefde houdbaar?
  De Zigeunerin ziet een sprinkhaan in de kristallen bol: een toegenegen ja.

Is man’s maag bestand tegen mijn liefde?
 De Handlijnkundige ziet een onregelmatige zonnelijn. Tegenslag is waarschijnlijk.

Hè?? Wat een onfatsoenlijk antwoord zeg, sta ik daarvoor urenlang aan het fornuis.

Een paar reviews staan  /hier  

 

Advertenties

Gedachten bij de rijst

Ongeveer zeventien, hautain want dodelijk verlegen.
Er dook een jongen op die volslagen knetter van me was.
Hij liep achter me aan, stond buiten naar mijn bureau te staren, verhuisde naar het volgende raam wanneer ik naar een ander vertrek liep, wachtte me op bij het fietsenhok, hing rond in de straat waar ik woonde en een paar buurkinderen had hij wijsgemaakt dat ik bij de film werkte.
Ik hield me op de vlakte, gaf nietszeggende antwoorden.
Toen schreef hij een brief. Ik ging overstag door de schitterende aanhef: ‘My angelface’.
Dit kon ik niet weerstaan.
We spraken af, namen de trein en belandden in de stad waar hij me wilde trakteren op een etentje bij de allerbeste chinees.
Prompt begon ik te zweten
Eten in het zicht van iedereen, vuurrood kleuren, de schaamte die ik op voorhand al voelde.
‘Ik heb geen honger’, begon ik, ‘ik heb nooit honger als ik een vrijer heb, ik leef van de liefde,’ probeerde ik nog grappig te zijn en hij lachte inderdaad, hij vond me nog leuker dan ik al leek, zei hij en leidde me nog nalachend naar het restaurant waar hij naast me kwam zitten. Bijna op dezelfde stoel.
‘Ik wil echt niets’, riep ik wanhopig en hij zag dat het menens was. ‘Lust je dan soep, toe, eet met me mee,’ uiteindelijk werd er voor mij een bakje tomatensoep neergezet.
Het was vreselijk, echt waar, de hele tijd heb ik koppig uit het raam gekeken, zodat hij mijn vuurrode gezicht niet zag,  de zweetdruppels vielen als regenbuien in en naast de soep en de oranje tomatenkleur vloekte met mijn purperen gezicht. De verliefde jongen streelde mijn strakke rug, keek me af en toe aan uit zijn ooghoeken, ik zag het vanuit de mijne.
We zeiden niet veel.
Na afloop schutterde ik  met een sigaret, die ook al kletsnat was en tenslotte liepen we hand in hand naar het station.
Ik stil van schaamte, hij, dacht ik, van ergernis,  maar het bleek van een bijna overlopende hartstocht te zijn, het eten had hem opgepept blijkbaar.  In de trein kwam hij met dermate zoete voorstellen dat ik opnieuw verlegen werd.
Eenmaal voor ons huis aangekomen heb ik het uitgemaakt.
‘Sorry, maar het wordt niets,’ stumperend verzon ik iets over ‘eten deed ik thuis wel’ en  rende half jankend achterom.
Ontevreden over mezelf was ik de hooghartige houding kwijtgeraakt.
Dat was een voordeel.
De jongen ook, dat was jammer.
Later verdween die rare verlegenheid. Dat was de grootste opluchting.

Moeder als spil?

Eens kwam ik in een superhecht gezin. Zo’n familie die ik alleen kende van een afstandje.
De kinderen trouwden in eigen dorp, kleinkinderen leken geen onderscheid te maken tussen ouders en ooms of tantes, zelfs de huisdieren hoorden bij de gezamenlijkheid. Die indruk kreeg ik.
Een soort commune, verdeeld over diverse woningen. Besloten ook. (Bijna) niemand van de leden vertrok of emigreerde.
Vader overleed. De hele bubs trok naar moeder, een en al liefde en behulpzaamheid.
Dit ging nooit kapot. Dacht ik naïef
Toen overleed moeder. Er was geen testament.
En het hele gezin viel uiteen.

Verhaal eerste deel, morgen de rest.

Vriendin –  vriend

‘Je was altijd al een trut.’
Onzeker loerend richt ze een valse en halfdronken blik op mijn gezicht.
‘Ik heb je teruggepakt, Joosje.’ Grijnzend. ‘Wil je weten hoe?’
De grijns verbreedt zich. Schouderophalend veins ik onverschilligheid.
‘Hij is goed in bed, jouw Jack.’ De triomf in haar ogen maakt dat ik haar geloof.
Ik sta op…
‘Wil je’t niet horen?’ Ze lacht nu voluit.
…pak tas en sleutels, gooi geld op de tap en loop weg.
‘Lazer dan maar op, kutwijf’ schreeuwt ze me na. Iemand maakt sussende geluiden, de deur valt dicht.
Buiten blijf ik staan. Verwezen en razend tegelijk.
Langzamerhand zakt de woede om te wijken voor ontreddering.
Wat moeten we nou. Wat moet ìk nou.

‘Hoe was het met je vriendin, mager en teut zeker?’ Jack neemt een grote hap, kauwt en slikt met genoegen. ‘Ze zou ook zo lekker moeten eten, dat scheelde een paar slokken.’
‘Och…’
Te vaak hebben we dit besproken zonder resultaat. Hij wil haar niet in huis langer dan een kort bezoek al pleit ik om haar te helpen. En nu. Wat nu.
‘Opnemen en verplicht afkicken, dat is het beste. Ze wordt een wrak, zonde om een mooie meid zo te zien verloederen.’
Zwijgend neem ik zijn woorden in me op. Mooie meid? Door haar bekentenis krijgen ze een beladen betekenis . Mooi genoeg voor een slippertje? Of is het weer een geniepigheidje van haar kwaadaardige dronk? De uitdrukking op haar gezicht zei anders genoeg, ik kan het niet afdoen als een van haar streken.
Ik wil het weten.
Mijn liefde voor Jack vlamt niet hoog meer maar belazerd worden, daar pas ik voor.