Zeer dikke mist

De wereld kromp, werd klein en kleiner tot alleen ik leek te bestaan.
Eenzaam stond ik daar in het vage licht van een versluierde zon. Fiets aan de hand, niet wetend welke kant ik op moest. Door rond te kijken was ik uit balans, alle richtingen zagen er eender uit, zelfs boven en beneden konden verkeerd zijn.
Wat te doen.
Ik voelde met mijn handen of er iets te leunen viel, een boom, muur, wat dan ook. Niets. Op de tast zette ik de fiets op de standaard en liet me voorzichtig zakken op verdwenen grond.
Dan nam ik de tas van het stuur. Maar…wat.. zelfs die zag ik niet meer, in het wilde weg graaiend vond ik hem, zocht naar het mobieltje, toetste 112. Er gebeurde niets.
Mijn hand verdween, ik pakte hem met de andere die ik ook niet meer zag. Alles weg, de wereld, telefoon, ikzelf.
Gespannen zweefde ik in het niets, wachtend op licht? Godot? Hulp?
Het duurde lang.
Veel later, ik was al bijna voorgoed opgelost, werd het helder, nevelen verdunden, contouren werden zichtbaar.
Ik stond op en zag de omgeving verschijnen.
Opgelucht herkende ik mijn achterdeur en keukenraam.
Ik stond op de stoep.

Advertenties

Regenconcert


Kletsend plenzend,  dan weer druppelsgewijs.
Als pauze een gelijkmatig gedeelte, gestadig, monotoon, een slaapmiddel bijna.
Plots een uitbarsting,  ssssjj,  opende zich een hemelse niagara? Duistere wolk erboven, antracietkleurig en somber. En verbleekt, verandert. Alweer.
Lichtgrijs, nog net geen blauw, sproeit sprieterige druppels, nauwelijks voelbaar, toch nat.
Allengs krijgen ze body en groeien samen op tot een volwassen bui.
Kwartieren, minuten, alle variaties in tijd en volume komen langs.
Plassen dijen uit en zakken weg, groeien weer aan. Borrelen en vallen bijna stil, rimpelen weer op.
Nat, half droog, kledder, drijf, dampend en dan weer druipnat.
Regendagen saai?

Nieuwsgierige mensen

‘Jullie gaan laat naar bed,’ zei een buurman van de overkant..

Verbaasd vroegen we ‘Let jij daar dan op?’
‘Nee, maar ik zie dat er ’s avonds nog lang licht brandt.’
Oud wijf, mompelde man binnensmonds.
Later.
‘Jullie gaan laat naar bed,’ zei een buurman in de straat achter ons.
Minder verbaasd vroegen we ‘Let jij daar dan op?’
‘Nee maar ik zie nog laat het licht branden bij jullie. Dat zie ik door de koepel.’ Hij lachte er trots bij, hij vond het zelf een grootse ontdekking.
Oud wijf, dacht ik.
Bij rondvraag hoorden we dat veel mensen nog even uit het raam kijken voor ze in bed stappen. Een doodnormale gewoonte.
Maar ook: eerst de straat links en rechts afspeuren voor de deur op nachtslot gaat, zien wie de hond ’s nachts uitlaat, welk buurkind te laat thuiskomt. ’n Paar mensen zitten met verrekijkers, volgens mij hebben ze speciaal hun dakkapellen daarvoor gebouwd.
Tja. Je zegt er niets van want wilt geen ruzie. Maar raar vind ik het.
Wat een armoed als iemand geen andere interesses heeft dan het leven van buren die ook niets meemaken. Wat bezielt zulke gluurders? Ze kicken erop, dat hoor je bij hun opschepperige gezwets.

Grappig was het toen mijn man, een paar weken voor zijn overlijden zei, ‘het is een goed gevoel te weten dat iemand een oogje in het zeil houdt, straks.’  Hij lachte erbij, hij kende me.
Maar toen de buur een paar maanden geleden zei dat hij nog steeds alle avonden nog laat mijn licht zag branden vond ik dat knap vervelend.
Al kan ik niet uitleggen waarom

November-decemberdagen


Nog bijna vijf weken tot de kortste dag, daar leef ik naar toe. Sterker, ik omarm kerstmis alleen al voor het idee: donkerder kan niet.
Daarna leef ik op.
Kalender en klok in de gaten houden (alweer een minuut daglicht gewonnen), naar maan en  lucht kijken, heldere hemel afdwingen, en dan is het eindelijk februari en zit je met daglicht aan de vijf-uur-koffie.  Halleluja.
Sneeuwen en vriezen? Geen probleem, het is licht.
De donkerte van december is een verschrikking, in huis tenminste.  Vanaf pakweg 16 uur ’s middags tot ’s morgens  8 uur zonder daglicht te moeten leven vind ik moeilijk.
Ik droom soms van een grot als van beren, zou dat iets zijn?
Winterslapen. Tot de voorjaarszon me wekt.
Het einde.