Nooit goed

Noem me ondankaar, een zeurpiet, een zeikwijf, maar ik word dat weer zo moe.
Zo droog, zo vaag. Zo saai.
Ineens heb ik er genoeg van.
In de zon mag het mooi en zomers lijken, het is zo véél van hetzelfde.
Daar word ik net zo ongedurig van als van lange regenweken.
Af en toe een onderbreking zou me blij maken.
Niet te lang natuurlijk, een paar dagen regen, storm, onweer met vurige flitsen die knallend donderen, rommelend in de verte.

Vanmorgen zag ik ijs op het platdak en werd bijna lyrisch. Hoera, een winterweekend, bibberend naar truien zoeken (hoe zien die er ook weer uit?), straks erwten kopen en een bovenpoot.  Handenwrijvend dook ik onder de douche en verbeeldde me dat ik al kippevel had. De thermostaat omhoog, halleluja.
Helaas, het stelde niets voor.
Eer dat de radiators warm waren was het ijs al gesmolten.

Lusteloos pook ik in de droge tuin,  klimops en druivenstruiken zijn bijna kaal, uitgedroogd.
Het leeft niet meer, de grond ziet er doods uit.
Zelfs het onkruid wil niet meer groeien.
Laat ik dat dan maar als een voordeel zien en hopen dat ik morgen uitgemopperd ben.
=

Advertenties

Taal leeft

Of liever gezegd: de mens leeft. Hij beweegt en neemt zijn taal mee naar anderstaligen.
Het is dan ook te verwachten dat er buitenlandse woorden in elke taal binnensluipen.
Heel goed, het houdt de gesprekken en het menselijk verkeer levendig.
Dialect is een andere zaak. Er zijn (Nederlandse) dialecten die goed klinken, toch lees en hoor ik ze liever niet in druk of radio/tv. Daar valt wel wat op af te dingen: wat weten we van de instromende woorden die zich met de onze mengen? Die zijn misschien wel platter dan plat, we weten immers niet of het dialect- dan wel officiële woorden zijn. (Taalkundigen daargelaten). We accepteren het.
Taal gaat niet altijd mee met ieders smaak.  Soms kom je een leenwoord tegen dat stoort, waarvan niet uit te leggen valt om welke reden.  ‘Kids’ was er zo een,  het werd in 2013 verkozen tot het allerirritantste-woord  terwijl anderen er geen moeite mee hebben.  Ieder heeft zijn persoonlijke voorkeur en tegenzin.
Ook de eigen taal heeft woorden die je liever niet gebruikt en ook hier is het gissen naar de reden van ergernis.
Maar van deze weet ik het wel, ‘roven’ was een woord dat iemand steevast gebruikte voor het afnemen van een speelkaart. ‘Moet ik roven of ben jij aan de beurt?’
Gatverdamme, zeiden we dan, roven zitten op zweren.
Wat hij niet met ons eens was. ‘Dat zijn korsten,’ wees hij ons terecht.
Ja, die zitten aan brood ook.
Voorbeelden van mooie woorden? Die zijn er teveel om op te noemen.
Over taal kun je eindeloos doorlullen.  Of -praten.