Het haasje

Even buiten het dorp kwam ik de paashaas tegen.
Hij keek teleurgesteld en droeg een lege mand.
-Waar ga je naar toe?-  vroeg ik.
-Weg, zei hij stuurs, zo ver mogelijk. Ik laat me door de mensen niet meer voor de gek houden-
Geschrokken keek ik hem aan, -Wat deden we verkeerd?
– Dan huren ze me in om eieren te leggen, krijg ik het met veel kunst- en vliegwerk voor elkaar en denk je dat ze dankbaar zijn? Ze lachen alleen maar.-
Woest was hij (het was een rammelaar).
-Nou ja, aarzelde ik, het is natuurlijk erg ongeloofwardig. Een haas die eieren legt, een mannetje nog wel….
-En jullie dan? Een zwangere man, een meisje met een konijn als gids, vind je dat wel normaal? (Schwarzenegger in de film Junior en Alice in Wonderland, begreep ik).
-Maar, legde ik uit,  dat is niet echt, het is verzonnen. Net als de kerstman en Sinterklaas. En zo ook de paashaas, sorry.
Zijn boosheid maakte plaats voor  onbegrip.
-Verzonnen? stamelde hij. Ik? Meent U dat nou?
Ik kreeg meelij met hem, toch moest de  waarheid gezegd worden.- Jazeker, let maar eens op.
Hard kneep ik hem in zijn buik. -Huh? Hij keek naar mijn hand, kneep zelf,  nog harder.Hij voelde niets.
Opluchting verscheen op zijn gezicht.  -Dan hoef ik ook niet boos te zijn. Hoera!
-Zal ik je dan maar wegmaken? stelde ik voor en pakte alvast mijn gum.
-Doe maar, en die mand ook.
Ik veegde alles weg.
Toen alleen zijn hoofd nog over was knipoogde hij: bedankt en tot volgend jaar!
Advertenties

Paard en wij

Hangend over het hek brachten we de tijd door. Paard kwam bij ons staan en luisterde. Af en toe knikte hij.
Een van de jongens was in een etterige bui.
‘Heb je die schoenen van je opoe geërfd?’ begon hij. ‘Weet je dat je naar groene zeep ruikt?’
Reacties bleven uit, ook Paard negeerde hem.
Geprikkeld kwam hij met zwaarder geschut.
‘Hé dikkont, ik zou maar eens wat minder vreten.’ We trokken schele ogen.
‘Je denkt zeker dat je leuk bent, je kunt een paard nog laten lachen,’ pestte de knul.
Verveeld keken we de andere kant op. Paard blies de manen uit zijn ogen en keek met ons mee.
‘Ik wed dat geen van jullie op hem durft te rijden.’
Nu keken we allemaal naar hem.
Hij aarzelde, klom op het hek en tilde een been over de rug. Paard liep weg en daar lag de klier, in het gras en wellicht in een koeienvlaai.
Paard kwam naderbij, hij hinnikte en wij lachten met hem mee.

Zelfkapster, 11 jaar

Paardestaart en pony, het was een kapsel van veel meisjes.
Wat me stoorde was de pony die nooit bleef zitten zoals ik wilde dus knipte ik hem zelf, voorzichtig, netjes rond.
Zo trots als een pauw liep ik door het huis.
Er was weinig bewondering voor mijn kappersactie, de een na de andere zus bekeek me en en smoorde een grijns.
Iemand had een camera en ondanks de commentaren ging ik er extra-mooi voor zitten.
Het lukte niet zo goed door dat gelach,  anders had ik er wel beter uitgezien.  Zo verdedigde ik me.
Wat onze kinderen zeiden loog er ook niet om: ‘Ieieieieiew, dat kapseltje...’

Vanmiddag had ik het druk


Verbeterde selfie willen maken, uren voor de spiegel staan hannesen met kam en toilettas, en dan de camera achterstevoren houden,  wat een vertoning. Toevallig stond ik nog steeds voor die spiegel zodat er in ieder geval beeld is.
Mijn moeder zou haast terugkomen om me te berispen: dat krijg je er nou van, ijdeltuit die je bent. Ach ja.
Hij is nog nog wazig ook.
Achteraf ben ik blij, ongerechtigheden zijn nu minder duidelijk.
En er om kunnen lachen is ook wat waard.