Bloei

De aardpeer-of-topinamboer/  heeft bloemen.
Je hebt een ladder nodig om ze te zien maar vanuit de bovenverdieping lukt het wel. De kleur is lastig te onderscheiden, toch zie je de punten van de kroonblaadjes. Echt aards.
Ik hing de halve dag uit het raam en keek en keek.
‘Wat is er aan de hand?’ riep een vrouw. ‘De aardpeer bloeit,’ riep ik terug.
‘Ist waar? ik ga meteen bellen.’  Ze informeerde het streekblad.
Dat stuurde een reporter die binnen tien minuten met me mee keek.
‘Great,’ was zijn ontroerde commentaar,  hij seinde de grote kranten in.
Ook die waren belust op mijn aardperenbloemen. Met groot apparatuur stonden ze in het achtertuintje, de dakgoot en het bovenraam en richtten telelenzen op de plant die er koud noch warm van werd, hij bloeide lustig voort.
Zoiets wekt natuurlijk nieuwsgierigheid; de hele straat liep uit en de volgende ook. Het gonsde door de buurt: Bertjens’ aardpeer staat in bloei.
Dat kwam de NOS ter ore, die vloog onmiddellijk in.
Het Journaal pronkte met dit bijzondere item, oogstte wereldwijd bewondering voor de alerte nieuwsgaring. De trots was groot.
De mijne ook.
Ik droom er nog van.

Niet gezien?
Dan was U waarschijnlijk op de kermis die drie straten verderop stond te loeien.
Daar was zoveel te zien en te horen dat wij in het niet zonken.
Met bloem en al.
==

Laat

Er staat een rijtje aan binnengerolde berichten.
Beantwoorden is nu niet aan de orde, te laat, er wachten andere zaken maar morgenochtend begin ik er aan. Waarbij ik meteen wat vragen stel.
Na het doorbladeren van de kranten en het printen van de puzzels, na de koffie en klaarzetten van het middageten, na een telefoontje en…
nou ja, die dingen.
Het weer was vandaag goed. Vrij warm, de lucht was helder en wat opviel was dat er in de schaduw een ijzige gloed hing. Ik zal me de tegenstrijdigheid verbeeld hebben maar zo voelde het echt.
Het is ook mogelijk dat mijn opmerkingsvermogen verruïneerd is door het ontregelende klimaat. Ik hoop het niet, ik wil geen koe in huis zien als ik een muis vermoed laat staan een ijsbeer. Wolven zijn al erg genoeg.
Tot zover de late gedachten die niet veel zaaks zijn.
Enfin.
Tot morgen.
==

Uitgelezen

Natuurlijk bedoel ik dit letterlijk.
Na het zoveelste boek heb ik er genoeg van, in ieder geval de eerste tijd. Hoelang die tijd gaat duren weet ik nog niet, misschien een dag, wie weet een jaar.
In de boekenkast zocht ik naar vervanging, hoe dom kun je wezen. Daar vond ik een toneelstuk waarin ik soms blader maar nooit langer dan anderhalve seconde omdat het over de tweede wereldoorlog gaat en ik daar al teveel van las, bovendien is het van Sartre. Aan hem heb ik geen goede herinnering. Toen ik op school eens vroeg wat hij schreef werd er gezegd: dat is te moeilijk voor jullie. Nou ja zeg, een MULO was niet bijzonder maar zo’n antwoord begreep ik nog wel als beledigend.
Hoe breng ik dan nu de tijd door? Dat moet ik nog bedenken. De weekendpuzzels oplossen is een goed begin.
Stoep vegen en wieden, harken, stofzuigen deed ik al, overig tuinwerk wacht op zon.
Ramen lappen is niet nodig, er komt genoeg licht binnen. Winkelen is ook geen optie met al die lekkere dingen, ze liggen er zo opzichtig bij dat je er niet omheen kunt..
Mogelijk komen er nuttige handwerken voorbij, alleen: wat zal ik maken? Mijn geduld reikt zelden verder dan één babysokje of een halve pannenlap.
Lastig hoor.
Er liggen een paar kranten, misschien is koppensnellen een idee. Dat heeft immers niets met lezen te maken.
=

Het zal zo wel motte..

… was het gevleugelde zinnetje van een bejaarde vrouw voor wie ik werkte.
Ze was aardig en kien en had gevoel voor humor.
Om politiek, belasting en gemeentelijk besluiten echter kon ze niet altijd lachen. Die zaken vond ze lastig te begrijpen zoals de meesten van ons.
Bij het lezen van de krant vroeg ze vaak: ‘Begrijp je dat nou Bets?’ (zo noemde ze me).  Ze las alles, niet alleen de koppen maar de artikelen waren haar niet altijd duidelijk genoeg.
‘Beatrix gaat met pensioen, waar heeft zij die grote uitkering voor nodig? Ze hoeft toch niet meer zo deftig op te treden?’
Dat wist ik ook niet.
‘Heb je gezien hoeveel stallen er weer gebouwd worden? En de stank moet verminderen!’ Tja…
‘Bets, de gehandicapte kindjes van ons dorp krijgen gratis pony-rijles. Waarom? Die ouders zijn niks armer dan wij.’ Ook daar had ik geen antwoord op, ik zat met dezelfde vragen als zij.
Na enig nadenken zei ze het, ‘het zal wel zo motte.’
Ze bedoelde het niet grappig, het was haar standaardgezegde. Accepteren in het leven is nodig, zij deed het op deze manier. Het had iets gelatens.
Het klonk heel wat sympathieker dan het hatelijke chagrijn van sommig kankerpitten, excusez le mot.
Op een dag was ze geëmotioneerder dan anders: ‘Buurman wil dood. Snap je dat nou?’
Ja, maar dat ging ik niet uitleggen. De man was oud en eenzaam en op.
Ze zuchtte, deze keer echt aangeslagen. Ze begreep zijn wens niet.
‘Het zal zo wel motte.’