Zo doe je dat

Vandaag een krantenberichtje over potloodventerij in de omgeving.
Meteen schoot ik in de lach, niet om de dader, om het verhaal van iemand. Een paar jaar geleden.
Er waren al een enige weken klachten, het gonsde van geruchten over een gevaarlijke viezerik en de politie verzocht de mensen dringend aangifte te doen ingeval van confrontatie.
Uiteraard werd dit besproken bij de koffie. Men leek het te beschouwen als een zwaar seksueel misdrijf.
Een vrouw, rond de zestig, schudde haar hoofd.  Ze had hem gezien zei ze.
‘Echt waar? Deed hij je niks?’
‘Bende gek, da durven zulke nie. Ik fietste over het bospaadje en daar stond’íe, mee z’n ding uut de boks.
Gaot naar huus, vuulik, riep ik en ben gewoon doorgereje. Geen last meer gehad.’
=
ps
de cartoon die ik wilde plaatsen werd afgewezen met deze tekst:
potloodventercartoon-stick-drawing-conceptual-illustration-260nw-1224305944.jpg Dit bestandstype is niet toegestaan in verband met veiligheidsredenen.

Tja…

 

Advertenties

Opleving

Precies in het laatste strijklicht dat langs de planken scheert bloeit de roos op, je ziet hem de moedeloosheid van zich afschudden en hoort zijn verheerlijkte zuchten: zalige zon..

Zo’n zalige opleving lijkt mij ook wel wat.
Alleen, om voor één zonnestraaltje naast die roos te gaan liggen is me te gortig.
Voor je het weet sta je in het sufferdje:
‘Gisteravond hing onze plaatsgenote Bertjens bijna Naakt_over_de_schutting
teneinde de laatste zonnestraal te vangen. Ze wilde een opleving. Of de film naspelen?
Wie zal het zeggen.

Voor zover bekend heeft ze er niets aan overgehouden maar kreeg in ieder geval aandacht.’

Stel je de commotie voor.
Iemand stuurt een foto de wereld in.
Hollywood wordt wakker, Hilversum, de bladen, paparazzi loerend aan voor- en achterdeur, op zijn minst belt MAX voor een passende rol naast, eh, dat weet ik niet zo gauw.
Toch doe ik het niet.
Pa en moe draaien zich om in hun graf.
Buren lachen me uit.  (ik kom ze dagelijks tegen)

Ik neem genoegen met een foto en schenk  een bak koffie in.
Niet dat ik daar van opleef maar het is beter dan dat gehang.
Trouwens, het regent.
==

Citaat uit vergeten boek.

Dit↓ lijkt me een goed ding om na te volgen.

Het gebeurt vaker dat je moeilijk kunt kiezen. Dit? Of toch naar dat? Waarom dan niet tegelijk? Je kunt het altijd proberen.
Thee zetten van ijskoude karnemelk bijvoorbeeld, lekker op hete zomerdagen.
Met wat aanpassingen is er meer mogelijk; geen hond willen en toch een waker? Neem een blaffende kat.
Soms is het lastiger.
In de tienertijd wilde ik Elvis Presley maar niet zijn slaapogen. Ik kreeg ze allebei niet.
Ook niet de aardige jongen die ik overal tegenkwam en me daarbij opvallend woest-triest aankeek (ik las toen al teveel). Hij aasde op mijn jongste broer.
Zulke dingen zijn niet te mixen.
Toch laat het me niet met rust, er moet meer mogelijk zijn.
Wie weet kunnen we ooit tweehonderd worden en tegelijk soepel blijven. In doen en denken. Een droom.
Maar jezelf blijven en tegelijkertijd wereldburger worden, dat zou pas een ideale mix zijn.
==
Het citaat komt uit een boekje van Van Nelle, uitgegeven begin deze eeuw. 
Het boek ben ik kwijt, dit citaat is alles wat ik terugvond.

Straks de wedstrijd Tottenham – Ajax


Een van de weinige situaties waarin ik nog een sigaretje zou willen roken.
Niet om de rook, het is de herinnering aan schoonfamilie.
Een stuk of drie broers (zelf ook voetballers) en meestal een paar vrienden, zaten klaar rond de grote tafel, kijkend naar de televisiehoek.
De eerste keer dat ik er ook bij zat zette ik de stoel tegen die van m’n vrijer aan. Hij reageerde slechts met en kort knikje, de rest zag me niet eens.

De wedstrijd begon, iets waar ik niet veel om gaf maar waarvan ik het belang begreep. Er werd meegeleefd, geroepen, meegeschopt, nou ja, wie kent die toestanden niet al was het maar van films.
Voor mij was het nieuw.
Geboeid keek en luisterde ik en vond het heel bijzonder.
Al die sloten koffie (bier werd toen nog niet gedronken, daar was een café voor) en overstromende asbakken. En de herrie. Het paste bij elkaar.
Of de uitslag gunstig was weet ik niet meer.

Met de jaren veranderde het kijkgedrag.
Kratje bier kwam erbij, sigaretten niet meer.
De spontaniteit verminderde ook.
Het zullen de leeftijden zijn geweest.
Maar jammer was het.
==

Enkele tinten grijs

Het was een grijze dag.
In de kam zaten nieuwe grijze haren.
De stoep was grijzig, iets tussen nat en droog in.
Bij een greep in de sokkenbak liepen er, jawel, grijze in mijn handen.
Het onkruid, dat in de zon te groen oogt, stond er grauwelijk bij.
Mijn humeur was donkergrijs.
Ik belde Ziggo. Lukte niet, je dient je nummer op te geven, dan belt Ziggo jou.
Het humeur donkerde tot antracietgrijs.
Toen belde een buurvrouw of ik zin had in koffie.
Daar klaarde ik van op.
Ik groette het onkruid, trok andere sokken aan, prees de stoep die bijna bloosde.
Met de buurvrouw wachtte haar kat, hij hief zijn kop naar me op.
De dag kon niet meer stuk.

Koffietijd theetijd slaaptijd

regen120180829_182444
Tijd voor thee.
In de serre zittend probeer ik er een boek bij te lezen. Het is lekker buiten. Blauwe lucht, een lieflijk wolkje, warme zon. Loom word ik, lomer, tot ik slaap.
Dan word ik wakker door een regelmatig geroffel. Een welkom geluid, iedereen weet hoe goed regen klinkt wanneer je zelf droog blijft.
Tijd voor koffie.
Ik ga verder met het boek.
Knus. Druppels op de ruiten, sussend geplens op het dak. Tevredenstemmend. Je zou zomaar weer gaan slapen.
En ja, een hazenslaapje overvalt me.
Na het avondeten een nieuwe leespoging.
Stil zijn de staatgeluiden, een buurkat kroelt naast me, het schemert licht.
Ik slaap in

En dan moet de nacht nog beginnen.


Cool? Nee, gewoon koud.

Goedenavond.
Hier schrijft een ijzig mens.
Verstijfde vingers gaan moeizaam over het toetsenbord.
Ik geef toe, het is eigen schuld.
Teleurgesteld door de hitte die nog steeds in huis hing en het magere regenbuitje stelde ik me verkoeling voor.
Ik dacht heel diep om een beeld op te roepen van een herfstochtend met vochtige mist, blote voeten in nat gras, en geloof het of niet: het hielp. Ik voelde dat koele gazon, zag die mist. Een weldaad.
Had ik het daar maar bij gelaten
Hebberig ging ik door en te ver, verzon sneeuw in Alaska, poolwind, doordringende vorst. IJsberen filterde ik eruit (ik ben niet gek), de sneeuw hield ik nog even vast.
Het werd te echt, te koud, te bibberig, ik wilde terug naar het natte gras.
En dat lukte niet meer.
Toen zat ik gevangen in mijn zelf opgeroepen bedenksels.
Vertwijfeling beving me.
Wanhopig fantaseerde ik de terugkeer van een warme zon. Helaas, mijn verbeelding was onderkoeld en werkte slechts langzaam. Nog steeds.
Ik zal het moeten uitzingen tot ik vanzelf weer op temperatuur kom.
Met stijve stappen loop ik heen en weer om hete koffie te zetten en soep op te warmen.
Het gaat vooruit, de laptop aanzetten is gelukt.
Voor vannacht staan een paar warmwaterkruiken klaar.
Morgen zal het leed geleden zijn.
Hoop ik.

Slecht horen – slecht praten.

Er werden nieuwe meters geïnstalleerd, voor gas en stroom.
De monteur kon elk moment komen, daarom hield ik alvast de gehoorapparaatjes bij de hand. Vaak zijn ze niet nodig maar met onbekenden is het afwachten hoe ze spreken.
Mummelaars zijn echt lastig, je hoort ze wel maar verstaat er geen barst van, daar heb je geen doofheid voor nodig.
Ook een andersoortig dialect kan moeilijk zijn, vooral als er op mitrailleursnelheid gerateld wordt.
Enfin.
De monteur belde aan, ik liet hem binnen en wachtte met spanning op zijn woorden.
‘Goedemorgen,’ riep ik jolig, luid en duidelijk. Als voorbeeld.
Het hielp niet.
‘gmgn’ murmelde hij, schudde mijn hand en wees naar de meterkast. Inwendig huilde ik.
‘Sorry meneer, even mijn oren aanzetten.’
Hij knikte en begon met zijn werk.
Ik stond er sukkelig bij, weet nooit goed wat ik moet doen bij een kluswerker.
Een gezellig praatje kan in dat geval de oplossing zijn, helaas ging het deze keer te moeizaam.
Ik zei dat ik hem niet goed verstond.
Dat werd begrepen. Hij murmelde luider.
Door wanhoop gedreven vroeg ik om uitleg over de nieuwe meters, daar trapt iedere vakman in en ook hij gaf een gedetailleerd verslag. Ik stond erbij, knikte lukraak en zette een pienter gezicht op. Hoopte ik.
Zo kwamen we de tijd door. Murmelend en ‘jaja’ zeggend. Hier en daar verkeerd, aan zijn blikken te zien.
Na afloop bood ik koffie aan.
Die sloeg hij af.
Voelde zich waarschijnlijk net zo belazerd als ik.

Vol verwachting

Vanmorgen vroeg, het was nog donker – werd ik wakker met een onbenoembaar blij gevoel. Er was iets, iets positiefs. En toen wist ik het weer.
De slaap kwam terug.
Een uur later werd ik opnieuw wakker, nu had ik het meteen.
Uitgeslapen stond ik op, deed de gewone dingen en zette me aan het ontbijt dat door de opwinding nergens naar smaakte. Alleen de koffie trok zich niets van de stemming aan.
Het nieuws van half acht kwam door maar raakte me niet.
Het weerbericht ging langs me heen, reclame merkte ik niet op.
Ongedurigheid beving me.
Ik duwde de klok vooruit.
Tokkelde op het tablet, zag dat de klok terugsprong, hoorde de bel in alle geluiden. Het gerasp van de kauwen klonk precies zo.
Maar dan was de tijd daar en kon ik rechtop staan,  naar de voordeur lopen en de brenger om zijn hals vallen.
De nieuwe wasmachine arriveerde.

Bezoek, graag of niet?

‘Tegenwoordig is er niet veel meer aan, vroeger ging de familie bij elkaar op de koffie of zo...’
De vrouw keek rond. Enkelen knikten, verder kreeg ze weinig bijval.
Ze vergat dat die familie intussen flink was uitgedund en de overlevenden vaak een goede reden hadden om thuis te blijven. Ziekelijk, niet mobiel of gewoon geen zin meer in het miljoenste kopje koffie en thee. Bovendien hebben veel mensen hun eigen (klein-)kinderen met wie ze hun visitetijd doorbrengen.
De vrouw overdreef een beetje. Lang niet alle families liepen af en aan om dagelijks te buurten, enkele gezinnen daargelaten. Dat zag je eerder bij verknochte vriendinnen/buurvrouwen.
Wel was er meer vrienden- en familieverkeer dan nu.
Terugdenkend herinner ik me de gehaaste zondagochtenden.
Vroeg ontbijten, kinderen wassen en aankleden en vroeg lunchen, dan konden we tijdig wegkomen om zelf ergens naar toe te gaan voordat er iemand bij ons aanbelde.
Bij het ouder worden ging het geloop eraf, gelukkig maar, ik moet er niet aan dènken weekend-aan-weekend bezoek te hebben. Het geklit lag en ligt me niet zo.

Bij de jonge stellen om me heen zie ik het verschil met toen. Enkelen komen uit middelgrote gezinnen, de meesten hebben een of twee broers/zussen of, als ze erg jong zijn, vriendengroepen. Elke dag of weekend gevuld met visite zie je veel minder, ze hebben beiden een baan en om buren maken ze zich niet druk.
Ik benijd ze, ze kunnen hun eigen leven leiden.
De vrouw die er ‘niets meer aan’ vindt denkt daar anders over en waarschijnlijk zij niet alleen.

Tja, overleden ouders, zussen, broers, buren, kun je niet terughalen.
Ook kun je de tijd niet stopzetten al proberen een paar mensen het via kaartavondjes (‘dat was zo gezellig, geen tv…’) of iets dergelijks.
Ik begrijp het wel, je eigen huiskamer voelt intiemer dan een zaaltje in het gemeenschapshuis.

Maar voor mij hoeft het niet.