Cool? Nee, gewoon koud.

Goedenavond.
Hier schrijft een ijzig mens.
Verstijfde vingers gaan moeizaam over het toetsenbord.
Ik geef toe, het is eigen schuld.
Teleurgesteld door de hitte die nog steeds in huis hing en het magere regenbuitje stelde ik me verkoeling voor.
Ik dacht heel diep om een beeld op te roepen van een herfstochtend met vochtige mist, blote voeten in nat gras, en geloof het of niet: het hielp. Ik voelde dat koele gazon, zag die mist. Een weldaad.
Had ik het daar maar bij gelaten
Hebberig ging ik door en te ver, verzon sneeuw in Alaska, poolwind, doordringende vorst. IJsberen filterde ik eruit (ik ben niet gek), de sneeuw hield ik nog even vast.
Het werd te echt, te koud, te bibberig, ik wilde terug naar het natte gras.
En dat lukte niet meer.
Toen zat ik gevangen in mijn zelf opgeroepen bedenksels.
Vertwijfeling beving me.
Wanhopig fantaseerde ik de terugkeer van een warme zon. Helaas, mijn verbeelding was onderkoeld en werkte slechts langzaam. Nog steeds.
Ik zal het moeten uitzingen tot ik vanzelf weer op temperatuur kom.
Met stijve stappen loop ik heen en weer om hete koffie te zetten en soep op te warmen.
Het gaat vooruit, de laptop aanzetten is gelukt.
Voor vannacht staan een paar warmwaterkruiken klaar.
Morgen zal het leed geleden zijn.
Hoop ik.

Advertenties

Slecht horen – slecht praten.

Er werden nieuwe meters geïnstalleerd, voor gas en stroom.
De monteur kon elk moment komen, daarom hield ik alvast de gehoorapparaatjes bij de hand. Vaak zijn ze niet nodig maar met onbekenden is het afwachten hoe ze spreken.
Mummelaars zijn echt lastig, je hoort ze wel maar verstaat er geen barst van, daar heb je geen doofheid voor nodig.
Ook een andersoortig dialect kan moeilijk zijn, vooral als er op mitrailleursnelheid gerateld wordt.
Enfin.
De monteur belde aan, ik liet hem binnen en wachtte met spanning op zijn woorden.
‘Goedemorgen,’ riep ik jolig, luid en duidelijk. Als voorbeeld.
Het hielp niet.
‘gmgn’ murmelde hij, schudde mijn hand en wees naar de meterkast. Inwendig huilde ik.
‘Sorry meneer, even mijn oren aanzetten.’
Hij knikte en begon met zijn werk.
Ik stond er sukkelig bij, weet nooit goed wat ik moet doen bij een kluswerker.
Een gezellig praatje kan in dat geval de oplossing zijn, helaas ging het deze keer te moeizaam.
Ik zei dat ik hem niet goed verstond.
Dat werd begrepen. Hij murmelde luider.
Door wanhoop gedreven vroeg ik om uitleg over de nieuwe meters, daar trapt iedere vakman in en ook hij gaf een gedetailleerd verslag. Ik stond erbij, knikte lukraak en zette een pienter gezicht op. Hoopte ik.
Zo kwamen we de tijd door. Murmelend en ‘jaja’ zeggend. Hier en daar verkeerd, aan zijn blikken te zien.
Na afloop bood ik koffie aan.
Die sloeg hij af.
Voelde zich waarschijnlijk net zo belazerd als ik.

Vol verwachting

Vanmorgen vroeg, het was nog donker – werd ik wakker met een onbenoembaar blij gevoel. Er was iets, iets positiefs. En toen wist ik het weer.
De slaap kwam terug.
Een uur later werd ik opnieuw wakker, nu had ik het meteen.
Uitgeslapen stond ik op, deed de gewone dingen en zette me aan het ontbijt dat door de opwinding nergens naar smaakte. Alleen de koffie trok zich niets van de stemming aan.
Het nieuws van half acht kwam door maar raakte me niet.
Het weerbericht ging langs me heen, reclame merkte ik niet op.
Ongedurigheid beving me.
Ik duwde de klok vooruit.
Tokkelde op het tablet, zag dat de klok terugsprong, hoorde de bel in alle geluiden. Het gerasp van de kauwen klonk precies zo.
Maar dan was de tijd daar en kon ik rechtop staan,  naar de voordeur lopen en de brenger om zijn hals vallen.
De nieuwe wasmachine arriveerde.

Bezoek, graag of niet?

‘Tegenwoordig is er niet veel meer aan, vroeger ging de familie bij elkaar op de koffie of zo...’
De vrouw keek rond. Enkelen knikten, verder kreeg ze weinig bijval.
Ze vergat dat die familie intussen flink was uitgedund en de overlevenden vaak een goede reden hadden om thuis te blijven. Ziekelijk, niet mobiel of gewoon geen zin meer in het miljoenste kopje koffie en thee. Bovendien hebben veel mensen hun eigen (klein-)kinderen met wie ze hun visitetijd doorbrengen.
De vrouw overdreef een beetje. Lang niet alle families liepen af en aan om dagelijks te buurten, enkele gezinnen daargelaten. Dat zag je eerder bij verknochte vriendinnen/buurvrouwen.
Wel was er meer vrienden- en familieverkeer dan nu.
Terugdenkend herinner ik me de gehaaste zondagochtenden.
Vroeg ontbijten, kinderen wassen en aankleden en vroeg lunchen, dan konden we tijdig wegkomen om zelf ergens naar toe te gaan voordat er iemand bij ons aanbelde.
Bij het ouder worden ging het geloop eraf, gelukkig maar, ik moet er niet aan dènken weekend-aan-weekend bezoek te hebben. Het geklit lag en ligt me niet zo.

Bij de jonge stellen om me heen zie ik het verschil met toen. Enkelen komen uit middelgrote gezinnen, de meesten hebben een of twee broers/zussen of, als ze erg jong zijn, vriendengroepen. Elke dag of weekend gevuld met visite zie je veel minder, ze hebben beiden een baan en om buren maken ze zich niet druk.
Ik benijd ze, ze kunnen hun eigen leven leiden.
De vrouw die er ‘niets meer aan’ vindt denkt daar anders over en waarschijnlijk zij niet alleen.

Tja, overleden ouders, zussen, broers, buren, kun je niet terughalen.
Ook kun je de tijd niet stopzetten al proberen een paar mensen het via kaartavondjes (‘dat was zo gezellig, geen tv…’) of iets dergelijks.
Ik begrijp het wel, je eigen huiskamer voelt intiemer dan een zaaltje in het gemeenschapshuis.

Maar voor mij hoeft het niet.

Ongewenst bezoek

Op de markt liep ik een dame tegen het lijf aan wie ik een grote hekel heb. Beleefdheidshalve bleef ik staan bij het ‘Hallooo, hoe gáát het met je.’
Het praatje eindigde met ‘vandaag of morgen kom ik efkes an.’
‘Ik ben nooit thuis’ zei ik gauw.
Later, bij de koffie, bedacht ik dat het echt iets voor haar was om met etenstijd binnen te vallen en hongerig naar het brood te kijken. Ik deed er beter aan de poort op slot te houden.

Te goed herinner ik me de keer dat een irritant echtpaar op de stoep stond en ik niet opendeed. Na drie maal bellen  hoorde ik ze weglopen, ze gingen achterom.
Ik vloog naar het keukenraam, trok de gordijnen dicht en draaide de deur op slot.
O god, de gordijnen sloten niet aan en ik hoorde de poort al.
In paniek dook ik naar de grond waar ik onder het raam ging liggen, strak tegen de muur.
Net op tijd. Ze rammelden aan de deur, scharrelden bij het raam, murmelden. Gesmiespel. Weer stilte. Een harde tik, voetstappen en de poort die met een knal werd dichtgegooid.
Ik bevroor.
De spiegel, ik had niet aan de spiegel gedacht. Die hing tegenover het raam en de plek waar ik lag. Als ze naar binnen keken moeten ze me hebben gezien. Een klassieke spotprent.
Toch beschaamd kroop ik overeind en was naderhand opgelucht te merken dat ze me niet zagen. Of het niet wilden zeggen. Dat kan ook.
Nu deze dame nog weg zien te houden.
Of zal ik een fort bouwen?

Huishouden

Kom, dacht ik bij het zien van matglasramen, stof, wasgoed, spinnenwebben en afwas, laat ik vandaag eens wat aan het huishouden doen. Het is net zo goed bewegen als fietsen en wandelen.
Ik vulde de wasmachine en vaatwasser en zocht een ragebol. Dan de tuinslang. Zette het robotje klaar.
Het was best veel werk hoor.
Zeep toevoegen, knoppen indrukken, met swiffer en plumeau zwaaien, oog houden op de apparaten, kraan opendraaien en buitenramen spuiten, ik geef het je te doen.
De koppen koffie vooraf, in pauzes en erna had ik serieus verdiend, dergelijke inspanningen vereisen pittige brandstof.
Nu is het klaar.
Inderdaad, schoonmaken is dankbaar werk en weet je wat er ook zo prettig aan is,  dat je naderhand in een nieuw huis lijkt te wonen, zo licht, spiegels doen het weer, kleding- en keukenkasten zijn verrassend vol, een tevreden gevoel overvalt je.
Over een half jaar doe ik het weer.
Dan lees ik maar een paar boeken minder.

Het wordt mooi weer vandaag

Stuur om te beginnen een plaatsvervanger naar je werk.
Zet het zwembad  op, het is nu al ruim 20°C.  Eventueel een grote teil, emmer, voetbadje, desnoods giet je je schoenen vol.
Activeer de geluidsschermen mocht je luidruchtige buren hebben met nerveuze honden.

En ga genieten.
Achterover op een zonnebed, voorover als je geen sproetenbuik wilt krijgen. Zolang je maar kunt verdwijnen.
Met een boek, een muziekje is ook goed.
Koffiekan bij de hand.
Visualiseer die zon, voel de warmte, vergeet de rest.
En hou vol.
Ga door.
Blijf liggen.
Tegen de avond  kun je alsnog bekijken of je baas belde met een ontslagaanzegging of een partner die je inruilt voor een ijveriger exemplaar of een gezin dat gaat emigreren zonder jou.
Intussen had jij een mooie dag.

In de zwevende hemel

Bij het zien van de plaatjes dacht ik er weer aan.
Met zo’n zweefstoel de lucht in, dat zag er heerlijk uit.

Vaak hoorden we in de omgeving een paraglider ronken, altijd op dezelfde plek. Dan stapten we van de fiets en stonden watertandend te kijken.
Wat moet dat een ontspannende manier van voortbewegen zijn.
Niet alleen het kalme gemak waarmee hij rond ging en soms bleef hangen was aantrekkelijk, ook het geluid was goed, als een gelijkmatig pruttelende brommer. Hier zal onze herinnering aan vroeger meegespeeld hebben. En de afstand, voor de vlieger zelf was er wellicht veel lawaai.
We stelden ons een tweepersoonsglider voor met een voetenbankje, extra nekkussens, ingebouwde koffievoorziening en vooruit, pilsje tussen ons in. Handje vasthouden en zo. Brandstof tot de zee en terug.
Het leek ons de ultieme hobby maar het is er nooit van gekomen.
Gelukkig hadden we die kussens en dat pilsje thuis ook, dat troostte.

Zondagmaaltijd


Bij de meeste mensen was op zondag het eten smakelijker dan doordeweeks. In ieder geval luxer.
Toch vond ik de ‘gewone’ dingen vaak veel lekkerder. Misschien omdat we dan meer honger hadden? Zondags deed je niets;  uitkijken naar koffie met koek – warm eten – thee met chocolaatje – avondeten – en weer koffie met koek.  Als kerkelijke overheden het verbod op zondagfietsen en  -zwemmen niet hadden opgeheven lagen we nu allemaal op apegapen op de IC’s.

Er over nadenkend was het achteraf best zielig voor moeder die zich uitsloofde om er zondags wat bijzonders van te maken. Zette ze runderlappen op tafel, was er altijd wel iemand die met een vies gezicht een piepklein vetrandje aan de kant schoof. ‘Kind,’ zei ze dan, vol onbegrip, ‘suk kostelijk vlees!’
Tja. Had ze het op een willekeurige werkdag geserveerd had het hele gezin gesmuld en de restjes uit de schalen geschraapt.
Maar dat hoorde niet zo. En was waarschijnlijk te duur geweest.