We fietsten door een storm als deze


Een jaar of tien geleden.
‘Buiig en een vlagerige zuidwestenwind…’  heette het.
Nu, dat hebben we geweten, het was werkelijk een zeer aparte fietstocht die we maakten.
We waanden ons gehard en reden babbelend het dorp uit, lacherig over een paar windstootjes.
Tot we de grote weg opdraaiden.
Whamm, direct had een vlaag ons te pakken en we zouden achteruit gewaaid zijn als we niet zo snel reageerden. Met veel moeite tornden we gestroomlijnd, hoofd gebogen en de rug aflopend, een paar meter vooruit. Regen achter ons aan sliertend als een natte pauwenstaart.
Even werd het rustiger, als je tenminste de uithijgende vogels over het hoofd zag. In bijna elke boom hingen er wel een paar, éen vleugel op de borst en de tong uit hun snavel.
We zetten door,  voelden ons uitgedaagd en probeerden tegelijkertijd ons gesprek te hervatten. Nou ja, een paar woorden kregen we er wel uit.
Plotseling woei ons een schaap tegemoet, zijn krullen rechtgetrokken, helphelp-mekkerend maar het was al te laat: een nieuwe vlaag achtervolgde hem.
Een bijzonder sterke ditmaal; met alle Trekkracht kwam echtgenoot niet vooruit en ik nog minder zodat we ons aan een boom vastgrepen.
Vreselijk was het; er zeilde een kip voorbij met gespreide vleugels, een ei achter haar aan; een oud vrouwtje freewheelde door de lucht; een F 16 verdween de verkeerde kant op; sjongejonge, dit kenden we niet.
Tijdens de volgende stormpauze besloten we om te keren, het was te gevaarlijk met al dat  vee in de lucht. Bovendien was het koud. En nat.
Op de terugweg raceten we langs een vliegende boer die zijn schaap zocht. En een meisje met een koekenpan, zij wilde de kip terug. En het ei.
Wij waren niets kwijt behalve ons gespreksonderwerp.
Maar daar was niets aan verloren, we waren geen hoogvliegers.
=

Waar is….

En wéér was er iets kwijt.
Ik miste de kleine koekenpan, een groot mes, een tafelmes en en een koffiemok.
De pan was gauw gevonden, die stond op de gewone plek. Ik had er overheen gekeken.
De koffiemok had ik ook gauw te pakken, stond nog buiten met een dessertbordje (had ik nog niet gemist) en het tafelmes. Samen met een verfrommelde tissue.
Het grote mes echter baarde me zorgen. Ik kon me met geen mogelijkheid herinneren waar ik dat gelaten had.
In gedachten ging ik terug. Sla gesneden en een ui, de gewone dingen, maar hoe ik ook piekerde, er verscheen geen mes.
Vreselijke visioenen kwamen op.
Bewustzijnvernauwing en iemand doodgestoken? Kat geslacht? Waarschijnlijk niet, er waren geen bloedspatten.
Beginnende aftakeling? Heb ik met het mes boodschappen gedaan? En waarom? Heeft iemand het me afgenomen? Dan kon ik elk moment de politie verwachten.
Onder bed verstopt in een vlaag van paranoïa?
Een dievende onverlaat die nu rondsloop om me te vermoorden?
Moe van dit achterlijke denken kreeg ik eindelijk een logische inval: de vaatwasser, er valt wel eens wat tussen de rekken.
Daar lag het mes. Op de bodem.
Pffffffff.
Ik had een ontspannen boek nodig om bij te komen.

Het is niet dat ik een chaoot ben, integendeel, alles heeft een vaste plaats.
Het is gesuf. Lees ik een boek dan vergeet ik de tijd en andere dingen. Waarschijnlijk heb ik een paar hoofdstukken gelezen voordat ik de afwas opruimde.
Ik geef het node toe maar mijn moeder had wel ’n beetje gelijk als ze me een doos zonder deksel noemde.
Maar misschien leer ik nog bij.