trillende dynamiek in tulpenrood

Er liggen wat oude kledingstukken die ik niet kwijt wil, die ga ik rood verven.
Op Internet zoek ik naar textielkleursel.
Er komt een advertentie voorbij met een wervende tekst:

Productbeschrijving textielverf
…het rood is de kleur van liefde, hartstocht en dynamisme. Het barst van energie en zet mensen aan tot actie. Deze glorierijke rode tint doet u denken aan de overweldigende, bloeiende tulpengebieden van Nederland. Heet Tulip Red welkom in uw huis of draag het voor een trillende blik die alle harten sneller zal doen kloppen.

Ik sta paf. Liefde, hartstocht, energie, dat heb ik sinds mijn achttiende niet meer meegemaakt. Dynamische hartstocht, dat was het wel zo’n beetje.
Uiteraard bestel ik dit onmiddellijk, zoiets lieflijks laat ik me niet ontgaan.
Stel je voor dat alle harten trillend kloppen bij de aanblik van mijn tulprode truitje. De laatste keer dat ik iemands kloppend hart zag trillen was de negentigjarige vriend van man’s neef die in het bejaardenhuis woont en ik droeg niet eens een truitje. Het zal de doorkijkbloes van neef  zijn geweest die hem om zeep hielp.
Daar moet ik straks dus mee oppassen, actieve dynamiek wil wel eens teveel zijn voor negentigers.
Maar goed, tulipred dus. Als het mooi wordt verf ik er meteen een paar schoenen bij en mijn haar. Een energieke study in red.
Ik ben benieuwd.
Ik kan niet wachten met verven.
Ik tril van ongeduld.

Weekendbegin

Het was vrijdagavond, een paar jaar geleden
De thermostaat was niet goed afgesteld en we staarden suffig want te warm naar de tv, verkoelend biertje in de hand.  Zweterige kaas op een plankje tussen ons in.
We namen een slok. En nog een. Zo sukkelden we soezerig door de avond.
Plots werd er luid geklopt. Geschrokken keek ik op, rende naar de gordijnen en trok ze open. Er stond iemand buiten, een man. Hij wees naar de voordeur.
Ik maakte open, ‘de bel deed het niet’, zei hij,  liep naar binnen en ging in mijn stoel zitten.
‘Lekker’, zei hij terwijl hij zijn voeten op tafel legde en nam een kaasje.
‘Kom, de stoel is breed genoeg’. Ik zette me naast hem;  hij sloeg zijn arm om me heen waarop ik verzaligd tegen hem aanleunde. ‘Hemels’, mompelde ik, ‘net vakantie’.
‘Dat is het ook.’ Er verscheen een vaag zonnig beeld met nog vagere muziek,  hij stond op, danste en sprong,  hoog, hoger, ik reikte naar hem maar hij verdween.
Ik ook, naar de echte wereld waar ik nog steeds het geklop hoorde.
Verdwaasd keek ik op, het glas scheef in de hand.
‘Vervelend, die verbouwing bij de buren,’  ontevreden keek echtgenoot me aan, ‘en jij slaapt overal doorheen…’