Vlooiendag

 

 

 

 

 

’t Is nacht, ’t is nacht,
’t is midden in de nacht;
het was vandaag een kleddernatte dag
een dag van wind en regen
en daar kan ik niet tegen
de kranten boden
ook al niet veel goeds
de kippen waren
onverwachts weer broeds
wat moet
ik
hier
mee aan?
Ik heb
voor
hen
geen haan.

© Bertie

Advertenties

Een rare dag

Vanmorgen kwam ik een buurhond tegen. Ik begon een praatje (dat doe ik meestal).
‘Zo, beessie, ben je nog steeds braaf?’ en krauwde hem achter zijn oren.
Hij kwispelde als een gek en spinde luid.
‘Wat?’ verbaasd stopte ik en hij reageerde meteen: miauwww.
Ik keek rond of ik de eigenaar zag maar hoorde alleen wrrrraf achter een heg.
Zeker iets nieuws,  die mensen hebben alleen ’n eend, wist ik.
Jeetje, even kijken daar; ik liet beessie staan en gluurde door de heg.
Wat ik zag: de eend zwom in de vijver, blaffend naar een paar vissenbekjes die nèt boven het water uitstaken en -je gelooft het niet-  het do-re-mi mekkerden.
Mijn ogen en oren werden groot! Spinnende hond en blaffende eend, geitevissen.
Aarzelend liep ik een paar stappen.
Op dat ogenblik tjilpten er een groepje mussen; blij met dit normale geluid wendde ik me naar een boom. Hm, ze waren al  gevlogen. Maar.. ik hoorde ze toch? Toen merkte ik het, een toompje kippen scharrelde kwetterend door de voortuin van S.
De haan wandelde er loeiend om heen.
Dit werd me teveel.
Ik moest  weg, meteen, ik draaide me om en rende naar huis.
Bij de achterdeur zat Tinus, een bevriende kater.
‘Sorry Tien,’ hijgde ik ‘ik heb geen tijd..’
‘Ja zeg,  ik wil mijn plakje worst,’  antwoordde hij kwaad.
‘Nee,’ huilde ik bijna, vloog de trap op en kroop in bed.
Met het dekbed over mijn hoofd.
Ik durf niet meer naar buiten.

Kerstverhaaltje no1

Papa kijkt op de kalender.
‘Heb je dat gezien, het is bijna kerstmis.’ Zorgelijk.
‘Nog twee weken,’ sust mam.
‘Komt er weer een feestdiner?’  Nu openlijk vijandig. ‘Dan ga je maar naar de poelier.’
Mam kijkt hem aan. ‘Ja,  maar we eten rollade deze keer. En groentesoep.’
Opgelucht zakt hij in zijn stoel.
Dan, energiek nu, staat hij weer op. ‘Ik ga de beesten voeren.’
Mam knikt.
Ze ziet hem langs de ruiven lopen; met aandacht geeft hij de konijnen hun portie, strooit wat voor de kippen. Strijkt koerend langs de duiventil.
Hij hoeft niets te slachten dit jaar. Noch ervan te eten.
Papa zal een vredige kerst hebben.

Vee


Bij het weggooien van overtollige foto’s trof me de herinnering aan mijn angst voor vee.

Weliswaar afkomstig van de Zaanstreek (de oude naam) weet ik nog alles van koeien, paarden,  kippen en ander gespuis.
Die enorme koeienkoppen waar altijd kwijldraden aan hun bek hingen. Witte geiten, pisgoor tussen de achterpoten; een constant steigerende bok; het onbetrouwbare paard van de groenteboer; konijnen die altijd kleintjes hadden. Schapen die jonkies kregen en waar de boer ze uit moeders achterste moest trekken. Die dingen deden me iets. Iets ondeugdelijks, voor mijn gevoel.
Ik neem aan dat het geheugen de boel vertekent. Eén dwarsliggend lammetje was waarschijnlijk niet vanzelfsprekend voor de schapenteelt en de koeienkoppen waren  natuurlijk te groot voor een kleuteroog.
Toch raakte ik de hekel nooit helemaal kwijt.  Ondanks het mooie beeld van koeien (superfotogenieke dieren) blijf ik uit hun buurt, maak ik voor paarden een omweg. Kippen ontloop ik.
Nu, wonend op het platteland, houd ik van al deze dieren.
Van een afstandje.