Fruitbomen in bloei.


Daarmee  begon het.
Dan hoefden we maar te wachten tot we stiekem naar het erf konden.
Als indianen door het gras sluipend zochten we naar afgevallen peertjes. Of appeltjes, wat er maar op de grond lag.
Lekker waren ze niet. Hooguit een paar centimeter dik, groen, onrijp en bitter, door de boom als overschot afgestoten.
We aten er gretig van. We moeten gekokhalsd hebben maar dat herinner ik me niet.

Gestolen goed gedijt niet.
Straalmisselijk werden we, krampende buikpijn was ons deel en elk jaar kregen we iets lulligs te horen als ‘het gaat wel over voordat je een jongetje bent.’

Achteraf denk je: wat bezielt kinderen.
Tegen beter weten in, buikpijn op voorhand incalculerend en boze ouders erbij. Vooral mijn vader werd razend, we mochten helemaal niet op het erf komen.
En toch deden we het weer.
Ik geef niet graag toe dat we dom waren, maar wat dan wel?
==

Advertenties

Brááf!


Zo gaat het nog even door, 25 punten in totaal.
Het is een kindermisboekje uit 1954 en zwierf  vroeger rond van keukenla via dressoir naar rommelschaal en weer terug tot ik het bij de nalatenschap van mijn ouders vond. Het ligt nog steeds in onze boekenkast. Moe wilde het waarschijnlijk niet weggooien of ze hoopte op good vibrations naar het gezin, vroeger geloofde ze nog.

Ons leven overziend kan ik niet zeggen dat al die oproepen tot braafheid geholpen hebben.
We waren geen cent beter dan de Christelijken, Gereformeerden, Hervormden, Joodsen, Protestanten en meer andersdenkenden. (die term…)
In Brabant, waar begin 1960 nog steeds het katholicisme heerste, waren de gelovigen ook niet volgzamer dan wij. Wel makkelijker, ze hoefden zich niet aan anderen te spiegelen: er was maar één kerk.

Maar goed, ik ken nog steeds het weesgegroetje en zelfs in het Frans, dit  door overmatig strafwerk van de leraar. Het gebrek aan onze braafheid deed hem af en toe de gal overlopen, vandaar. Zal hij echt gedacht hebben dat ons dit tot inkeer zou brengen?
Je vous salue…   😀
==

Feestdagen


Carnaval hebben we gehad, Pasen nu ook, koningsdag. Pinksteren volgt nog   voorafgegaan door Hemelvaart, daarna Bevrijdingsdag en dan zijn de feestdagen voorbij.
Nou ja, vader- en moederdag, kermisen, hier en daar een jubileum daargelaten. En die ik vergeten ben.
Tot Sinterklaas, Kerstmis en jaarwisseling.
Toen ik klein was hoorde men overal aan mee te doen. Niet wettilijk, wel uit gewoonte en zéker voor een kerk.
We feestten er wat af.

Als kinderen keken we er naar uit: lekker eten, ijsjes, limonade, fijne koek, kadootjes, opgewekt stemming.
Dat laatste was niet altijd zo zeker, de verveling sloeg toe op tweede kerstdag. Slecht paasweer was ook geen pretje. Voor de groten hoefde het allemaal niet behalve Pinksteren, dat duurde  drie dagen en eindigde met kermis in Jisp.
Maar onze moe was een aartsoptimist en we kwamen de tijd door zonder al te grote onvredes.

Langzamerhand werden we het beu. Veel mensen deden er niets of weinig meer aan. Voor de pastoor kwam je je bed niet uit, Kerstmis en Pasen werden meer en meer korte vakanties of tripjes.
Alleen voor kinderen verzon je nog wat tot ze stonden te trappelen om te gaan stappen na het dessert.
Het was een opluchting, vooral voor echtgenoot. Hij haatte het opzitten en verplicht thuisblijven en zijn riem een gaatje losser te moeten maken.
Hier is het rustig op het feestfront. Nog steeds zet ik (meestal) de kerstboom. Voor mijn eigen plezier. Afbreken pleziert me nog meer.
Wie op feestbezoek komt krijgt koffie met gebak, een biertje of iets anders. Eten doen we met een klein ploegje of in een restaurant.
De meeste bijzondere dagen gaan bijna geruisloos voorbij.

Rondkijken op  de kermis is gezellig, met een vriendin markten afstruinen is nog gezelliger, af en toe een muziekavondje, en meer van dat. Stukken beter dan gedwongen vieringen.
En een biertje of lekkere hap lust ik thuis ook wel.
Straks, bijvoorbeeld.
==

Verlies van dromen

Ballonvaren, dat was een van de dingen die ik had willen doen.
En parachutespringen. Surfen op oceaanrollers en windhozen najagen, autoracen en kastelen bewonen.
Eéns komt het er van, beloofde ik mezelf, samen met echtgenoot. Daar waren we van overtuigd.
Later.
Als de kinderen op zichzelf zijn.
Als we genoeg gespaard hebben of een grote prijs winnen
En na meer alsen, dan vullen we onze toekomstdromen in.
– Toen we eindelijk volwassen waren was er weliswaar een eigen huisje maar mèt een hypotheek en een schoolgaand gezin.

Aan één gedachte hielden we vast:
Later, als het goudschip binnenkomt.
Maar dat kwam ook niet,
=

U bent…?

Vanmorgen maakte ik het weer mee, iemand lachte naar me en ik wist niet wie het was, hij kwam me hooguit bekend voor.
Ik keek hem vragend aan, hij haalde zijn schouders op en liep door. Ik erachteraan, het zal me niet weer gebeuren dat ik voor verwaand versleten wordt, dacht ik.
‘Sorry hoor, ik kan er niets aan doen, ik heb een slecht geheugen voor gezichten.’
Hij stopte, legde uit wie hij was en ik wist het weer. ‘O jaaaa….’

Het is een rare eigenschap, enkele gezichten onthoud ik wel maar de meeste pas nadat ik ze ettelijke malen gezien heb. Ik dacht dat het vaker voorkwam, toch word ik er soms op aangesproken.
Van de gezinsfoto’s zijn er verschillende waar ik ook opsta, daar herken ik me niet in. Ze hebben het me moeten aanwijzen..
Als kind keek in alle winkelruiten hetgeen voor ijdelheid werd aangezien maar louter nieuwsgierigheid was naar mezelf, dat was telkens een verrassing.  Niet altijd een blije :-/ Bovendien zei ik het liever niet hardop, bang dat het gek was.
Over de schoolfoto’s zei ik ook nooit wat. Ik zag de kleren die ik aanhad en herkende broer. Het was duidelijk wie het meisje was. Blijkbaar had ik de meeste moeite met mezelf. (Nee, aan Freud doe ik niet).

Het is niet ernstig,  niet zo erg als de echte Prosopagnosie
In de spiegel zie ik meestal wie ik ben, eigen man en kinderen herken ik uit duizenden en familie herken ik zodra ik ze zie, dus dat valt wel mee.
Dat het hoogstens een rare indruk maakt zag ik toen ik thuiskwam en bij de nieuwe buren -met wie ik vorige week had kennisgemaakt- een jonge man op het tuinpad zag staan.
‘Goedemiddag, hoort U ook bij de nieuwelingen… oh, je bent de buurman zèlf… ik zie het al. Sorry.’
Hij lachte maar wat.

Wilhelmus?

Het zei ons niet veel. We leerden twee coupletten en zongen mee indien nodig.
We leerden ook nog dat het Duitschen bloed waarschijnlijk diets bloed was, hetgeen o.a. ‘wijs’ betekent. Best mogelijk, adel had een hoge dunk van zichzelf en de Willemen zullen niet anders zijn geweest.
Emoties voelde je er niet bij.
Saamhorigheidsgevoel heb ik maar één keer ervaren, bij een een soort tweedekeus volkslied dat voor ons veel begrijpelijker was: ‘Waar de blanke top der duinen’.  We kenden stranden en zand en duinen en hadden weet van rivieren en een bruisende Noordzee. Daar had je wat aan.
De omgeving zal meegewerkt hebben.Vijfde- en zesdeklassers van alle scholen in het dorp en omringende plaatsjes zaten bij elkaar in een grote zaal,  we mochten hardop praten en lachen,  Verkeersdiploma’s werden uitgereikt, we kregen iets te drinken en koek en er was een film. Tot slot zette de muziek in met dit lied.
Uiteraard schreeuwden we zo hard mogelijk mee maar gaandeweg werd er echt gezongen en na het laatste ‘mijn Ne-he-der-land’ viel een stilte. Ongelooflijk, in een zaal vol elf-en twaalfjarigen!
We waren ontroerd. Later begrijp je dat pas.
Dat zou Wilhelmus nooit voor elkaar gekregen hebben, zijn dietse bloed ten spijt.
Voor de geïnteresseerden:
wikipedia
youtube

Over vader- en moederdag

Echtgenoot en ik hebben veel moeite gedaan om de kinderen te laten afzien van het vieren van deze dagen. We vonden (en ik vind nog) het dagen waarbij een bloemetje of een ander kleinigheidje voldoende was.
Het ging moeizaam.
Er waren de tekeningen en ingefluisterde ideetjes van kleuter-  en andere juffrouwen. Dat waren vertederende cadeautjes waar je niet omheen kon.
Later probeerden we het uit te leggen, dat het opgedrongen feesten waren, te commercieel, niet nodig.
Helemaal zonder franje kwamen we er niet langs.
Dat maakten we af met  ‘Kopen jullie samen een bos bloemen, dan zorgen wij voor taart en wat lekkers.’
Niet alle kinderen hadden er vrede mee maar op de een of andere manier kwamen we er uit.
Gelukkig maar, deze dagen zijn geen onenigheid waard.

Prinsjesdag, ach…

Veel mensen genieten ervan maar eerlijk gezegd vind ik die folklore onderhand een beetje overdreven, al was deze koets beter te pruimen dat het gouden geval.
Beetje raar ook; er zijn zoveel moderne, rijkaandoende hedendaagse auto’s, voldoende wuifgroot van raam mocht een open dak te riskant zijn. Vergezeld van kleine escortes, bestaande uit lichte motoren waarvan de bestuurders open vizieren en goedgesneden motorpakken dragen, dat is toch ook chic en vorstelijk? Desnoods met een Hollandse veer op de helm.
Voor de b-goden zouden een paar oranje kevers volstaan, door de gasten zelf te besturen -verschil moet er zijn-.
Bewonderaars krijgen niet minder tijd en mogelijkheid dan nu om het stel te bekijken, te bewonderen en, naderhand, te bespreken.
Strak plan, vindt U niet?
Wat me ook een aardig gebaar lijkt is, achteraan de optocht, een paar clowns mee te laten fietsen. Kartonnen kroontjes op het hoofd en zo, je ziet immers veel kinderen tussen het publiek.
Deze indeling geeft de tv-camera’s meer ruimte om shots te nemen van een paar vrouwelijke ministers en van  bezoekers die met moeite hun ogen open kunnen houden tijdens de troonrede. Die intussen allang op Internet verspreid had moeten worden zodat regeringsleden met koning en koningin een pittig debat konden voeren in plaats van truttige hoeraatjes te  roepen.
En…
Over een eeuw zullen ze misschien zover zijn. Wanneer de auto’s antiek zijn.

Vroeger, toen alles beter was?


Dat schijnt  te hebben bestaan volgens sommige mensen, je leest het hier en daar.
Er moet een overzichtelijke wereld zijn geweest, vroeger. In hùn vroeger.
Een eigen land dat iedereen bbb bood, waarin ideale zorgtoestanden heersten, doorlopend naasten-  en dierenliefde beoefend werd en de natuur nog ‘natuur’ was. Kinderen waren gehoorzaam en alle ouders kenden feilloos het opvoedersvak. Eventuele problemen waren voer voor politici.
Buitenlanders bestonden niet, men sprak één taal.
Waarom kende ik dat land niet? Waar lag het dan? Ik ben hier geboren en opgegroeid en zou het toch moeten kunnen vinden?
In gedachten rijd ik de omringende plaatsen af, in alle windstreken, buitengebieden en dichtbevolkte regio’s en zoek daar herinneringen aan vroeger. Dat zijn er velerlei, goede en slechte maar nergens tref ik dat grote geluksoord dat er moet zijn geweest.
En waarnaar ik nooit liefhebbers terug zie gaan.  Voldoende reden om aan het bestaan ervan te twijfelen.

Verliefde buurman 6

‘Frànk? Ga weg…’
‘Ja. En Len, een vreemd mens, leg ik straks uit. Tot zo.’

‘Hoi mam, dag mamma, weet je wel mam, kijk eens mam….’ Het gebabbel leidde me af; knuffelend en luisterend loodste ik de meisjes achterin en reed naar huis.
Toch keek ik in de spiegel. Niemand die me volgde, we kwamen veilig thuis; ik zuchtte van opluchting. Meteen stoorde ik me aan mijn overdreven gedachten.
Volgde? Op de achteruitkijkspiegel letten? Eén irritante buurman en een raar wijf, het maakte me bezorgd maar moest ik om die reden politiegedrag vertonen? In het gesprek met Willem zou ik er een grap over maken, rechercheur Martje in de bocht.

We hadden het een paar uur gezellig. We aten samen, ze kletsten zonder pauzes en ik hoorde het laatste schoolnieuws, hun lieve en onhebbelijke eigenschapjes. Je zou niet geloven dat er narigheden waren. In feite raakte Frank en Len zover op de achtergrond van mijn denken dat ik opgewekt Willem belde en vroeg of hij tijd had voor een gesprek en misschien wilde Olga erbij zijn? Wie weet had ze als buitenstaander een andere kijk op de dingen.
‘We willen natuurlijk komen maar wat is er aan de hand? Iets met de kinerern?’
‘Frank.’
‘Frànk? Ga weg…’
‘Ja. En Len, een vreemd mens, leg ik straks uit. Tot zo.’
Terwijl ik koffie klaar zette vervaagde het probleem nog meer; waarom me kwaad maken om Frank, hij snapte nu dat ik hem de baas was; waarschijnlijk zouden we er om lachen.
Prrrr, whatsapp. Ik opende en las: –Heb je mannetje al gebeld? ☻-
Neeee, idioot mens, ze was toch klaar met me?  -Enfin, ik heb mijn best gedaan-  En dan die zwarte smiley. Wat een kreng. Ik brieste.
We zouden niet lachen, vreesde ik, opspringend bij het horen van Willems auto.

© Bertie
Wordt vervolgd