Over trots

Een controversieel onderwerp. Wat de een een nare eigenschap vindt, ziet de ander het als een stoere karaktertrek.
Men kan er veel kanten mee op.
Wie kent niet een kind dat trots de nieuwe speeltjes laat zien, het is vertederend.
Maar ook: de opschepper die showt met een dikke portefeuille. Dit wekt afgunst, vertaald in ergernis.
Trots waren de veldheren en ontdekkingsreiziger, leerde je op school. Zij wonnen land voor hun bazen die zo mogelijk nog trotser waren op het verworven bezit.

Het kan tot een moeilijk te begrijpen gedrag leiden.
Zoals dat van de man die, barstend van de armoe, geen steun wilde aannemen maar wel accepteerde dat zijn kind het kippenvoer opat.
Of dat van een vrouw die zo groot ging op haar spaarzaamheid dat ze de eenvoudigste eisen van haar gezin wegwuifde. Wees zuinig, was haar devies terwijl ze trots wees op haar banksaldo.
Misplaatste trots, in mijn ogen.

In de politiek kom je heel veel trots tegen, een baan hierin lijkt de ultieme vervulling te zijn.  De fierheid op een gewonnen punt is te begrijpen maar ook hier zie je iets onbenoembaars, de trots van politici die zich afwenden van bepaalde partijen en daarbij een verheven houding aannemen: kijk mij eens goed zijn.
Wat maakt ze zo trots?
(Let wel: ik ben niet voor of tegen rechts of links, daar gaat het hier niet om).

Er zijn veel meer dingen over deze eigenschap te zeggen en ontelbare voorbeelden te vinden. Maar dan wordt deze log te lang.
Ieder kan dit lijstje zelf aanvullen.
-==

Een zomerdag

Luierend op het gazon. Muziekje, reader, spelletje, ik nam het ervan.
Ergens jengelde een kind, een vrouw riep. ‘Neenee, niet naar de vijver, op het gras blijven.’
Ik soesde verder.
Het kind jengelde weer, luider deze keer. De vrouw riep opnieuw. ‘Op het gras, zei ik. Moet ik je vastbinden?’
Ik zat rechtop van ergernis, waarom dat kind niet een bootje gegeven of een opblaasbandje. Warm als het was.
Enfin.
Bijna weggedommeld hoorde ik het kind opnieuw, kort, me toch weer uit mijn ritme halend.
Het werd stil.
Beetje vreemd zonder gejengel. Ondanks de irritatie vond ik het zo, ja, zo gewoon, het hoorde bij een kind en de mamma.
Een nieuw geluid.
Geschrokken sprong ik op, een vrouw schreeuwde hard.
Mensen riepen, snelle voetstappen, de sirene van een ambulance.
Het kind dat niet meer jengelde.
De geluiden ebden weg, die van de ambulance ook.
Ik ging naar binnen.
==

Weer even weg geweest/weggeweest.

Waarheen en waarom, is de -dubbele-  vraag.
Nou gewoon, weg. Daarom.
Het ‘gewoon’ was zeer geslaagd.
Het ‘daarom’ een fijne aanleiding.
Ik kan het iedereen aanbevelen, neem het er eens van en ga gewoon. Zomaar.

Daarom is geen reden’ heette het vroeger.
Dat toenmalige onbegrip, niet te geloven.
Men zei maar wat, vooral opvoeders lulden een end weg.
Ouders, onderwijzers, buurvrouwen, (niet-)kerkelijken, tantes en zussen, veel van hen wisten een kind uitgekookt te manipuleren met dit regeltje.
Onder een dwingende blik, acuut schuldgevoel en gehoorzaamheid opwekkend, verraadde je doel en reden van wat dan ook.
Soms was de nieuwsgierigheid bevredigd, niet altijd.
Afhankelijk van opvoeder’s karakter hengelde men naar details. Die je niet naar behoren kon uitleggen want een kind kent zichzelf niet altijd, ook vroeger niet. Je wist nog niet  wat ze wilden horen.
Gelukkig waren er smoesjes.
Als katholiek had je die altijd in voorraad, dit in verband met de biecht die al vroeg werd behandeld zodat je er tijdig het nut van inzag.
‘Waarom stal je die koekjes?‘ Luid gefluister.
‘Ik had zo’n honger…’ Quasi zielig.

Ik dwaal weer af.
Maar ik ben weer en blog.
==

Later als ik groot ben…

…hoef ik nooit meer school, niet naar pa en moe te luisteren, kan ik eten wat ik lekker vind en ga ik werken en rijk worden en neem ik een man en 1 kind en gaan we op vakantie met de auto en alle dagen naar zee en hoef ik nooit meer boodschappen te doen en we kopen een heel groot huis en een horloge en krijg ik krullen en dikke benen en een extra luie stoel…
…waar ik nu in zit met een bord eten wat ik lekker vind.
Met de krullen kwam het ook goed.
==

 

Moederdag

Als kind vond ik het een feest om iets voor mijn moeder te kopen. Geld had ik amper maar ik vond altijd wel iets moois. Dat wil zeggen: wat ik zelf mooi vond.
Meestal had ze er niets aan. Wat moest ze ook met een glazen siersuikerpotje+deksel, een plastic boterkuipje, een dejeunertje met bloemetjes,  en meer prullaria. We hadden een groot gezin.
Dat waren de dingen die ik prachtig vond, ademloos wachtte ik tot ze ze uitpakte. Dan keek ik de hele dag naar dat moois al lachten de groten me uit.
Gaandeweg besefte ik dat de cadeautjes meer voor mezelf waren dan voor Moe.
Een van de broers was praktischer. Hij lachte me uit om mijn ‘rotzooi’ en kocht tenminste iets nuttigs. Zei hij. Hij kreeg dan ook meer zakgeld.
En waar kwam hij mee aan?
Met een heuse frituurpan, nu kon ze betere patat bakken. Een klein formaat, dat wel, er ging precies voor 1 persoon in. Handig!
Toen werd er pas echt gelachen.

‘Mister Sandman’ en Moe’s geduld.

Dit liedje hoorde ik als kind.
Zo klein als ik was voelde ik me beledigd door de Nederlandse tekst:
‘…geef mij een droom met diepblauwe ogen,
twee donkerbruine hebben mij bedrogen..’
Ik had de donkerbruine, een broer wees me daar op. Natuurlijk.
Veel later begreep ik dat ik me hiermee had laten kennen als ’n beetje kleinzielig maar, troostte ik mezelf, ik wàs toen immers een klein zieltje?

Dat probeerde ik uit te leggen maar werd niet serieus genomen, alleen mijn moeder had voldoende geduld. Die arme moe, ze heeft heel wat gekwebbel moeten aanhoren en ze deed het ook nog. Sokken stoppend en breiend knikte ze en gaf antwoord. Ik neem aan dat het zo in de meeste grote gezinnen ging, de vaders hadden andere plichten.
Daar sta je als kind niet bij stil omdat je het gewoon vindt.
Achteraf vroegen we: werd U niet knettergek van ons? (we zeiden toen U tegen de ouders).
Ze lachte maar wat.
En luisterde nog maar eens.

Voor wie het liedje wil horen, klik op de  link
Het is in het Engels, de Nederlandse versie kon ik niet vinden.

Bezoek aan Petrus 1

Aandachtig rondkijkend dwaal ik door de hemel. Het is er doodsaai.
Petrus tikt me op de schouder.
– Je bent te vroeg, mens.
O, zeg ik, ik wilde even checken of braaf zijn de moeite loont.
– En?
Nee. Er is hier niets te beleven, al die goedheid maakt me nerveus.
Beledigd pakt hij me op en gooit me eruit.
Opgelucht land ik op mijn bed.
Dit had ik als kind moeten weten, nooit meer braaf zijn, wat een feest.

Als kind…

…schreef ik een boek
een heel dik boek
van minstens zestien vellen;
over Moortje onze kat
van ouders als een rechtend pad
en liefderijke zusmodellen.
Ook de school kwam aan de beurt
uiteraard in roz’ gekleurd
dan de kerk met god en hemel,
zaligzinnelijk gefemel
van engelen die braafheid kweelden
zoet als bloemen.  Woorden streelden
en penseelden
zacht mijn kinderlijk geloof
voor realisme was ik doof.
Gehoorzaam schreef ik mijn verhaal.
Een kind is willig materiaal.
© Decomenik

Dag gasten en hallo dooie boom

_
De gasten zijn vertrokken, beddegoed geruimd.
Het huis is weer van mezelf en de vaatwassers pruttelt.
Een kind te logeren hebben, al of niet met partner,  is heerlijk, daar kan geen weblog tegenop. De napret is groot en groots. De resterende lekkere hapjesvoorraad ook; die kan ik mooi inhalen bij de Brekende Dijken op Uitzending Gemist.

Eerst even over begroeisels van de oude kersenboomstam.
Er zit een mos?zwam? – onbekend voor ons- op het afgezaagde plat. Daarbovenop nog een ander ding hetgeen we aanzagen voor iets viezelijks maar dat eveneens een plant blijkt te zijn, net als het beige rolletje dat er achter ligt.
Heel apart, het geheel lijkt op een pannenkoek  met oude spinazie en een vluchtende muis.
Dat de boom dood ging was jammer maar we krijgen er een mooi ding voor terug nu de zijkanten bemost raken.
Dat hij ook nog een slipper geeft is helemaal het einde. Moet een antwoord zijn op het sintversje.

mos5