Bloei

De aardpeer-of-topinamboer/  heeft bloemen.
Je hebt een ladder nodig om ze te zien maar vanuit de bovenverdieping lukt het wel. De kleur is lastig te onderscheiden, toch zie je de punten van de kroonblaadjes. Echt aards.
Ik hing de halve dag uit het raam en keek en keek.
‘Wat is er aan de hand?’ riep een vrouw. ‘De aardpeer bloeit,’ riep ik terug.
‘Ist waar? ik ga meteen bellen.’  Ze informeerde het streekblad.
Dat stuurde een reporter die binnen tien minuten met me mee keek.
‘Great,’ was zijn ontroerde commentaar,  hij seinde de grote kranten in.
Ook die waren belust op mijn aardperenbloemen. Met groot apparatuur stonden ze in het achtertuintje, de dakgoot en het bovenraam en richtten telelenzen op de plant die er koud noch warm van werd, hij bloeide lustig voort.
Zoiets wekt natuurlijk nieuwsgierigheid; de hele straat liep uit en de volgende ook. Het gonsde door de buurt: Bertjens’ aardpeer staat in bloei.
Dat kwam de NOS ter ore, die vloog onmiddellijk in.
Het Journaal pronkte met dit bijzondere item, oogstte wereldwijd bewondering voor de alerte nieuwsgaring. De trots was groot.
De mijne ook.
Ik droom er nog van.

Niet gezien?
Dan was U waarschijnlijk op de kermis die drie straten verderop stond te loeien.
Daar was zoveel te zien en te horen dat wij in het niet zonken.
Met bloem en al.
==

Feestdagen


Carnaval hebben we gehad, Pasen nu ook, koningsdag. Pinksteren volgt nog   voorafgegaan door Hemelvaart, daarna Bevrijdingsdag en dan zijn de feestdagen voorbij.
Nou ja, vader- en moederdag, kermisen, hier en daar een jubileum daargelaten. En die ik vergeten ben.
Tot Sinterklaas, Kerstmis en jaarwisseling.
Toen ik klein was hoorde men overal aan mee te doen. Niet wettilijk, wel uit gewoonte en zéker voor een kerk.
We feestten er wat af.

Als kinderen keken we er naar uit: lekker eten, ijsjes, limonade, fijne koek, kadootjes, opgewekt stemming.
Dat laatste was niet altijd zo zeker, de verveling sloeg toe op tweede kerstdag. Slecht paasweer was ook geen pretje. Voor de groten hoefde het allemaal niet behalve Pinksteren, dat duurde  drie dagen en eindigde met kermis in Jisp.
Maar onze moe was een aartsoptimist en we kwamen de tijd door zonder al te grote onvredes.

Langzamerhand werden we het beu. Veel mensen deden er niets of weinig meer aan. Voor de pastoor kwam je je bed niet uit, Kerstmis en Pasen werden meer en meer korte vakanties of tripjes.
Alleen voor kinderen verzon je nog wat tot ze stonden te trappelen om te gaan stappen na het dessert.
Het was een opluchting, vooral voor echtgenoot. Hij haatte het opzitten en verplicht thuisblijven en zijn riem een gaatje losser te moeten maken.
Hier is het rustig op het feestfront. Nog steeds zet ik (meestal) de kerstboom. Voor mijn eigen plezier. Afbreken pleziert me nog meer.
Wie op feestbezoek komt krijgt koffie met gebak, een biertje of iets anders. Eten doen we met een klein ploegje of in een restaurant.
De meeste bijzondere dagen gaan bijna geruisloos voorbij.

Rondkijken op  de kermis is gezellig, met een vriendin markten afstruinen is nog gezelliger, af en toe een muziekavondje, en meer van dat. Stukken beter dan gedwongen vieringen.
En een biertje of lekkere hap lust ik thuis ook wel.
Straks, bijvoorbeeld.
==

L’histoire se répète

In ons geval in familiegedrag maar dat is net zo goed een onderdeel van de geschiedenis.

Ik zal het uitleggen.
Een aantal jaren geleden zaten we in de situatie die nu door de sandwichgeneratie geclaimd wordt.
Kerst, paas, kermis, verjaardagen en de telkens terugkerende vraag:
doen we de ene dag de ouders en daarna kinderen of andersom?
Het maakte de ouders niets uit. Eigenlijk bleven ze liever thuis (al zeiden ze dat niet) maar ze begrepen ons plichtsgevoel.
Inmiddels zitten de kinderen in die situatie.
Het gedoe van vroeger indachtig inviteerde ik ze zelf op eerste paasdag, dan ben ik de tweede dag vrij om met een vriendin te gaan stappen.
Tis toch wat. Ondanks verlichte tijden nog steeds vast te zitten aan gewoontes.
Maar we doen er niets aan.  Dat willen we niet.
Het is een luxeprobleem dat we graag behouden.

Markt en meer

We slenterden door Grave.
Er was kermis -die we links lieten liggen- en een markt met van alles.
Ineens zag ik een kramer die me bekend voorkwam. Nou ja, Grave is maar tien km van ons vandaan, je ziet allicht iemand die je kent. Dacht ik en liep door.
Vriendin hield me tegen.
‘Daar staat meneer Kaktus. Hij verkoopt tassen.’
En ja, het was Peter Jan Rens.
Nog niet zo lang geleden las ik iets over zijn penibele financiën. Nu aarzelde ik, tas kopen? Nee, spijtig voor hem, toch maar niet.
Nu heb ik al twee bee-enners ontmoet en gesproken. Rene Froger (lang geleden) in eigen dorp en nu Rens.
We hebben een opwindend leventje.