Nette mensen

Teruggrijpend op het vorige logje denk ik aan de strengheid van de jaren vijftig.
We waren een arbeidersgezin, niets deftigs aan.
Katholiek, met protestantse en christelijke buren en meer soorten kerkelijken.
Allemaal dezelfde mensen, een viswinkel, bloemist en postkantoor, bushalte. Gewoner kon niet.
Toch was er een zekere stand. Een triestig soort waar we nu de schouders over ophalen maar toen heette het: als het er maar netjes uitziet..
Achter veel voordeuren speelden zich onverkwikkelijke zaken af maar naar de buitenwereld wilde iedereen zich keurig voordoen.
We vloekten niet, scholden niet in het openbaar, voortuintje was altijd geharkt, we droegen handschoenen naar de kerk en meer van dat.
Wat fatsoen betreft waren het barre tijden, we verslikten ons er zowat in. Deze opvattingen bestaan nog steeds
Geen wonder dat als  tegenspel de hippietijd omarmd werd.
Zonder dat we het over neukwater hadden.
.

Advertenties

Holland vs Brabant

   
Toen we verhuisden van west naar oost kon je hatelijke commentaren horen, van beide kanten.
Een greep uit west:
Die inboorlingen in Brabant? Hopeloos ouderwets.

Allemaal rooms maar ondertussen
Uit oost:
Die opscheppers uit Holland? Niks is het.
Waardeloos, ze deugen van geen kanten.

Het waren maar enkelen die zo spraken. Bovenstaande is nog redelijk, men riep wel erger dingen.
In die jaren (’60) leefde dat soort ideeën volop, naar wat ik hier en daar opvang bestaan ze nog steeds.
Voor heel wat mensen leken de Moerdijk en IJsselmeer natuurlijke grenzen, al het land dat ten zuiden en oosten lag liep volgens hen achter bij het oververheerlijkte Holland waar ze de achtergbleven nesten in eigen platteland gemakshalve vergaten.

Het waren resten van oude tijden.
In het kort:
De Peel, delen van Brabant, Limburg en Oost-Nederland waren inderdaad veel later met de ontwikkeling van handel en industrie en alles wat daarmee samenhangt,  denk aan verkeer, integratie, mode enzovoorts. Een logisch gevolg van gebrekkige ontsluiting van een gebied of land, een  verschijnsel dat overal ter wereld voorkomt.
Voeg daarbij een dwingende kerk en voilà, de stilstand/schterstand is een feit.

De vooroordelen blijven hangen evenals plattelandsgewoontes waaraan men hecht en die mensen nu graag cultuur noemen.
Maar we kregen ook aardige opmerkingen.
Toen een man in Schoorl hoorde dat we uit Brabant kwamen reageerde hij verbaasd:
‘Uit zo’n mooie provincie en dan kom je hiér op vakantie??’

Vrije geesten? Misschien.

biechtstoel
Bij het zien van gedrilde volken als die van, bijvoorbeeld, Noord-Korea, denk je onwillekeurig: dat zou hier niet lukken.

Toen ik van de week in een katholieke kerk was die ik sinds mijn tienerjaren niet meer bezocht, maakte ik een rondje en zag de bekende geloofsrompslomp als kruiswegstaties, altaar, orgel, biechtstoel en meer.  Ik dacht aan het automatisme waarmee we gehoorzaam een religie of andere doctrines volgden en besefte: ja, ook wij zouden ons laten vormen in een mal die een overheid het beste uitkwam.
Nu niet meer (misschien?), lang geleden zeer zeker.

Over trots


Een eigenschap die door sommige mensen hogelijk werd gewaardeerd, nog steeds.  Een bepaald soort trots. Je te groot voelen om hulp te vragen, zelf alles willen oplossen. Hier dacht ik aan bij het overlezen van ze-wilde-zelfstandig-blijven/
Als kind begreep ik niets van het idee.

We hoorden gesprekken waarin ronkend verhaald werd van ‘liever honger dan de hand ophouden’. De sprekers keken zegevierend rond, de meeste aanwezigen knikten. Niemand van hen zou het openlijk toegeven als men wèl financiële hulp  had aangevraagd.
Ze spraken over tijden die we, kind zijnde, niet kenden maar dat ze armoe hadden geleden was duidelijk.

Raar vond ik uitspraken als: ‘Weet je nog dat opa K. het verrekte naar het gemeentehuis te gaan terwijl opoe niet wist hoe ze aan brood moest komen? Wat was die man sterk!’ 
Sjonge. Je gezicht niet willen verliezen terwijl je gezin honger lijdt, wat een armoed. Ik zou het juist dapper hebben gevonden als die opa zijn trots opzij zette en het hoofd gebogen had. Dacht ik, verontwaardigd .

Bij het ouder worden begon ik er iets van te begrijpen.
De Bijstandswet bestond nog niet, mensen konden Steun aanvragen, van gemeente of kerk. Geen pretje, bleek uit andermans verhalen. Tot op de cent nauwkeurig werd berekend wat de gezinnen nodig hadden, elk klontje suiker werd als overbodig gezien en bestraft door op andere artikelen te korten. Ook hoorde ik van Steunhelpsters. Veelal dames van betere stand die Goede Werken beoefenden en de arme gezinnen bezochten om de behoeften te onderzoeken. ‘De neerbuigendheid,‘ vertelde een vrouw, ‘was niet te harden.’
Dan krijgt die opschepperige trots een heel andere lading.

Sommige ouderen koesterden hun gevoel van eigenwaarde tot hun dood.
Zij waren trots op hun trots.

Zondag werd vrije dag

De zondag was nog min of meer heilig in de jaren vijftig; niet alleen werken, ook zwemmen en fietsen was verboden.
Alle gelovigen gingen die dag naar de kerk, lopend, meer een soort wandelmars  zonder stopwatch. Katholieken en  christelijken vormden de hoofdmoot, ieder naar hun eigen dienst.
Wij kinderen verveelden ons suf. Eerst moest je mee naar de mis die lang duurde. Daarna gingen we buitenspelen; omdat de kleren netjes moesten blijven bleef het bij gedwongen rondhangen want zondagse jurken en broeken waren van alle gezindten. We waren blij als pa en moe ons meenamen voor een wandeling naar het park.
En toen, op een dag, mocht er gefietst worden op zondag. Later ook gezwommen. Het werd een heuse vrije dag waarvan je mocht profiteren. Een zaligheid, temeer daar we als roomsen de eerste waren.
Raar dat zoiets je bij blijft, het triomfantelijke leedvermaak tegenover andersdenkende buurkinderen: wij mogen  fietsen en zwemmen en jullie lekker niet.
De zege was van korte duur, na luttele maanden (of weken) gaven dominees hun gemeentes dezelfde vrijheden. Kerkelijke gezaghebbers ontkwamen er niet aan, zeker niet in de geïndustrialiseerde Zaanstreek.
Geloof het of niet, ondanks  mijn scepsis betr. de bijbel komt deze stap nog af en toe bij me op
Hoe blij we hiermee waren.