Nietzomakkelijkboek

Het lezen van dit boek bracht me in een neerslachtige stemming.
Waarom dan doorgegaan?
De auteur weet je te boeien waardoor je wilt weten hoe het afloopt.
Een Vlaamse boerenjongen groeit op in een tijd waarbij ik me niets kan voorstellen en ik was toch ook katholiek opgevoed met scholen waar de cijferlijsten belangrijk waren.
Het verschil zal in de streek en leefomgeving gelegen hebben.
Geinteresseerd? Mocht U gevoelig zijn voor stemmingen, leg dan alvast een luchtiger volgleeswerk klaar.
ps
Het einde vond ik een beetje van dik hout maar dat is een persoonlijke smaak.

De beknopte inhoud op de achterflap maakt veel duidelijk over de sfeer:
In “Kroniek van een verzonnen” leven, geschreven door Charles Ducal (Leuven, 1952), komt in een van godsdienst en plichtsgevoel doordrenkt milieu op het Vlaamse platteland een zesjarige jongen thuis met zijn eerste rapport: honderd op honderd. Die prestatie wordt de drijfveer van zijn leven: de beste zijn, altijd en overal. Maar een andere ervaring is minstens zo bepalend voor zijn verdere leven: hij is getuige van een verkrachting die eindigt in doodslag. Het daardoor ontstane trauma tekent hem voorgoed in zijn omgang met de vrouw en zijn worsteling met seksualiteit. Lichamelijkheid en seks zijn van een verboden, lagere orde. Pas als ouder wordende man komt hij via een aantal confronterende situaties en ontmoetingen in het reine met zichzelf. Deze roman schetst via een ragfijn netwerk van draden tussen de wereld van het kind en die van de oude man een mensenleven van de vroege jeugd tot de dood.

Advertenties

Bestaan engelen nu wel of niet

Zelf geloof ik niet in ze maar heb een paar jaar geleden geboeid zitten luisteren naar een vrouw die stellig was in haar mening. ‘Ze bestaan, er zijn plaatjes van.’
Deze vrouw was zeer vroom katholiek, zeg maar vrooms.
Ze bestreed ook het gezegde: ‘als je het over de duvel hebt, trap je op zijn staart.’
Vermanend verbeterde ze het.
‘Dat mag je niet zeggen, het is  Als je het over een engel hebt ruischen zijn vleugelen.’
Haar gezicht verheven, je hóórde de sch.
We deden moeite om in de plooi te blijven.
En geloven nog steeds niet in engelen, zéker niet in die met ruischende vleugelen.
Hoewel…

Geweten

Een lastig ding.

In de kindertijd liet het zich al horen, onmerkbaar voor anderen, voelbaar voor mezelf.
De kat wegduwen van je legpuzzel, huilend broertje knijpen, kwaad worden op je moeder.
Minizondetjes die voelden als verraad.  Ik had niet zo kattig moeten zijn, Moortje was alleen maar lief, broertje was alleen maar een jochie dat niet beter wist, moe vroeg alleen maar om een boodschap, aldus het geweten.
Dan dook ik nog verder in een schriftje of boek om mijn schuld te vergeten.
Meestal lukte het, zo niet dan spaarde ik mijn fouten op tot de biecht. Dat was een katholiek bedenksel waar we veel baat bij hadden zolang we klein waren.
Niet lang.
Eenmaal boven de tien jaar begon de twijfel. Pastoor had je dan wel spijt afgedwongen  maar wisten kat, broertje en moeder dat ook? Vast niet en om dat vervelende geweten te sussen gedroeg ik me overdreven lief. Gelukkig hield ik dat nooit lang vol, een dag op zijn hoogst want niemand herkende me daarin.
Later ging het om andere dingen. Ze losten zich allemaal op maar schuldgevoel bleef me manen.
Hoe anderen het hadden weet ik niet, het kindergedrag zal waarschijnlijk herkenbaar zijn.
Zelf leerde ik pas te relativeren bij het volwassen worden al twijfel ik aan de afronding van dat proces.
Ik vind het geweten nog steeds een lastig ding.

Bidden en zo


Voor me ligt een ringbanduitgave van de bibliotheek,
‘Katholieke herinneringen en gewoontes van vroeger.’
Man en ik hebben het RK geloof jaren geleden al aan de kant geschoven maar hier bladerde ik even in, misschien vond ik een aardige herinnering.
Het viel tegen.
Alleen het wijwaterbakje deed me plezier. Dat was vooral een vermakelijk voorwerp; we doopten er de vingers in en maakten een gewijd kruisteken bij het naar bed gaan maar het leuke eraan waren de nachten waarin het onweerde en wij allemaal het bed uitgesleurd werden. Dan liep moeder door het huis, palmtak soppend in de wijwater en zegenend sproeide ze ons onder, almaar prevelend.
Zelf was ik te klein maar de oudere broer en zussen bestierven het dan van het ingehouden lachen tijdens dit evenement want zo voelde het voor ons, jongsten.
Daarna kwam het bidden aan bod, voor het eten, na het eten, het Angelus voor het warm eten (ken ik nog uit mijn hoofd), op school,en dan was er nog de rozenkrans, vreselijk, en je moest in de meimaand nog naar het lof; als ik als kind iets haatte, was het de kerkgang. Waarschijnlijk vonden veel anderen het ook niets, de kerken liepen niet voor niets leeg.
Aan de biechtstoel werd een artikeltje gewijd. Een klasgenootje stelde eens voor een slokje bleekwater te drinken, daar werd de ziel ook schoon van. Toen stuurde de zuster haar de klas uit.

De rest heb ik niet meer gelezen. Niks aardigheid; bidden, je netjes gedragen, bidden, gehoorzamen en nog meer bidden was de boodschap en daarna mocht je –misschien- plezier hebben. Als je braaf geweest was, tenminste.
Het waren trouwens niet alleen de diverse geloven die mensen in ‘fatsoenlijke’ richtingen stuurden, het was ook de tijdgeest die  betuttelde en de religies -hand in hand met de politiek – profiteerden daar van.
Toen we ouder werden begrepen we de opstandigheid van onze moeder, ze keek allang niet meer op tegen notabelen, de clerus en kloosterlingen.
Op haar laatste ziekbed hoefde ze niet bediend te worden, ‘die flauwe kul,’ zei ze, ‘onze lieve heer laat me zo ook wel binnen’.
En gelijk had ze.