Huisdieren en eigenaren


Er liep een man met zijn hond aan de riem. Ze lieten elkaar uit. Woordeloos, elk  begreep de ander.
Even verderop wandelde een hond met zijn man. Ook zij lieten elkaar uit in zwijgend  begrip.
Toen de stellen elkaar tegenkwamen groetten ze allen beleefd, een knikje, een grom.
Ze waren gewend aan dooreengelopen identiteiten.
Tot zover de praktijk van honden en baasjes die op elkaar gaan lijken, ze merken het verschil niet meer.
Daar kwam plotseling een kat te voorschijn, hij leidde een vrouw.  Uitdagend, sjiek riempje om haar nek, zachtleren handlus tussen de tanden van de ander.
Honden en mannen keerden zich en bloc van hen af. Walgend.
‘Jaloerse krengen,’ mompelden ze.
==

Advertenties

Heks zonder maan

‘Oeoeoewaaahhh’, gaapt de heks, ‘ik verveel me suf. Hoe laat is het eigenlijk? Wat, al negen uur? Tijd voor een maanrit.’
Ze maakt er werk van; een lange rok van Vic en Rol , de puntste hoed, een  geurige shot Soir de  Magique  achter de oren -je weet maar nooit wie je tegenkomt-  en  daarmee is ze reisvaardig.
‘Ben je er klaar voor Zwarte?’ Kat knikt.
‘En jij, Kraskop?’ Kraai blijft liever thuis om naar  Vreemde Vogels te luisteren.
Ze zet de bezem klaar, een supermoderne vliegbezem, aëro-dynamisch met aangespitste punt en voorzien van ipad,  iped, ipid, ipod en ipud plus automatisch regenscherm dat zich bij de eerste druppel uitvouwt.
Slechts een magisch password is nodig.
Ze schieten de lucht in.  ‘Hoeiii,’ roepen  ze samen, ‘here we góóó…’.
Hè, heerlijk, denkt ze. Die vrijheid  is nergens mee te vergelijken.  Ze zwaait naar een verlate mus, duikt een cumulusje in.
‘Naar de maan,’ gillen ze.
Dat is een avontuurlijk spelletje, rakelings langs  zijn lichtbol te scheren,  zwaaiend en  kakelend naar de bangerikken op aarde.
Maar, hééé, wat…
Geen maan vandaag? Donkerte is alles wat ze ziet.
‘Wariauw?’   Ook verbaast Kat  zich.
Is het klimaat nu al aan het veranderen? Wacht, dat is natuurlijk een zwart gat, oppassen dat we er niet in donderen.
Ze stuurt de bezem rondom de donkerte, zorgvuldig wegblijvend van de rand.
Het verveelt al gauw.
Is dit alles? Da’s ook niet veel. Mompelend.
Teleurgesteld vliegen ze naar huis.
‘Dat is snel,’    kraakt Kraskop wanneer ze binnenstappen.
‘Er was niks an; een groot zwart gat en volgens mij zit de maan er al in, ik zag hem nergens.’
‘Ach wat, volgende keer beter.’
Ze stalt de bezem, Zwarte  drapeert zich op de bank.
‘Zullen we dan maar een frietje bakken jongens?  Een glaasje  spinnenport erbij?’
Dat doen ze
==

Over parfum

Gelezen, ooit, ergens:
‘parfumeren doe je op de plaatsen waar je het liefst gekust wil worden.’
Mooie gedachte, overbekend maar je leest het zelden.
In de uitgaansjaren besprenkelde ik me van top tot teen met eau de cologne (parfum was te duur). Niet om zoenen te vergaren. De goedkope geuren vervlogen zo snel, ik hoopte dat er een vleugje bleef hangen.

Nogal wat jongens zeiden een hekel te hebben aan parfum.
Dat was stoerdoenerij, een overblijfsel van hun kleine-kindertijd waarin ze niks van meiden wilden weten. Ondertussen hingen ze om het meest bedwelmende meisje heen, gedrogeerd door de zware dampen. Dat wisten ze zelf natuurlijk niet. Wij wel.
Een paar keer had ik bedacht om iets stinkerigs mee te nemen, een flesje azijn of zo, om vervelende jongens af te weren. Dat plan voerde ik nooit uit, de lucht blijft te lang hangen en het zou de jonge goden ook weghouden.

Later leerde ik echte parfum kennen. Duur maar fijn. Op verjaardagen kreeg ik kleine flesjes tot er een zwaarverliefde vrijer kwam die me een fles overhandigde van zowat een kwart liter. Zo leek het door de royale verpakking, een soort margarinedoos . Enfin, ik was er blij mee.

Na de verloving minderde het parfumgebruik.
Niet alleen hoefde ik niet meer te hengelen, hij bracht ook die grote dozen niet meer mee.
Maar af en toe kochten we wel eens een flesje voor elkaar. Hij mijn parfum, ik zijn after shave.
Dan verzonken we in verstikkende geurenwolken waarbij het niets uitmaakte waar we het opdeden.
We dachten niet aan kussen.
Eerst hond en kat redden die voor pampus lagen, happend naar adem.
Dieren kunnen niet veel hebben op parfumgebied, we kochten ze dan ook niet meer.
Zonder dieren valt heel goed te leven.
==

Die hond.

Toen puppy-lief een valsaard werd
bekeek hij kat en kippen
anders dan de tijd daarvóór.
Hij likte steeds zijn lippen
bij’t zien van de onnozelen
die door zijn glurend blikveld stapten
en van zijn hongerige smoel
geen ene mallemoere snapten.

De kat werd maarts-verleidelijk
en streek met krolse krullen
langs die van het kwaaie dier
die ’t liefst met haar zijn bak zou vullen.
Grommend en gemeen-chagrijnig
zat de rothond daar te wachten
tot zijn baas niet slechts de kat
maar alle kippen zou gaan slachten.

Maar de baas nam zijn geweer
en schoot de slechte hond terneer.
=

Liefde is blind 1+2

‘Wat ben je mooi
en mysterieus
met je blonde haren
en druppeltjesneus
je ogen zo glanzend
je mond op een kier
toe, zeg wat…’
‘…de verkoudheid
die zit me tot hier!’

==

‘Wat ben je mooi
en mysterieus
met je rode haren
en nattige neus
je oren bewegend
je krullige kop
toe, zeg wat…’
‘…rrrrrrrrrrrrrrrrr
rrrrot alsjeblieft op.’
-==

 

Enkele tinten grijs

Het was een grijze dag.
In de kam zaten nieuwe grijze haren.
De stoep was grijzig, iets tussen nat en droog in.
Bij een greep in de sokkenbak liepen er, jawel, grijze in mijn handen.
Het onkruid, dat in de zon te groen oogt, stond er grauwelijk bij.
Mijn humeur was donkergrijs.
Ik belde Ziggo. Lukte niet, je dient je nummer op te geven, dan belt Ziggo jou.
Het humeur donkerde tot antracietgrijs.
Toen belde een buurvrouw of ik zin had in koffie.
Daar klaarde ik van op.
Ik groette het onkruid, trok andere sokken aan, prees de stoep die bijna bloosde.
Met de buurvrouw wachtte haar kat, hij hief zijn kop naar me op.
De dag kon niet meer stuk.

Zelf-beeld

Toen de televisie voor de derde maal uitviel gooiden we hem weg.
‘We verzinnen zelf wel wat,’ zei echtgenoot.
‘Toneelstukje?’ stelde ik voor want ik ben dol op verkleden en rare typetjes.
‘Goed idee, me Tarzan you Jane?’
Great!
Terstond hulde ik me in het vel van onze tijgerkat. ‘Is dit wat?’
Man keurde. ‘Is het niet te klein? Buk eens.’
Ongeduldig riep ik hem tot de orde. ‘Niet zeuren. Wat trek jij aan?’
‘Euh, we hebben de hond nog.’
Prima, het beest had de juiste kleuren.
Zo speelden we jungletje tot de avond om was.
Zwaaiend van lamp naar bovenkast met kreten en al.
Genieten, beter dan welk programma ook.
Maar dat slachtafval…

Druk

Vanmorgen was het te vroeg.
Daarna was ik niet thuis.
Later had ik huis-werk.
Toen was het etenstijd.
Aansluitend volgde het uitbuiken en middagdutje.
Flink wat tuinwerk.
Telefoongesprek.
Na afloop van dit alles struikelde ik over een dooie muis. Binnen, midden n de huiskamer, gadverdamme. Twee dagen is Kat niet geweest en meteen ligt er een lijk aan mijn voeten.

Het kostte me minstens een uur voor ik over de schrik heen was en een ordentelijke begrafenis kon organiseren maar het is gelukt, het beestje ligt tussen de buxusplanten en rust zacht.
U begrijpt dat er treurtijd nodig was.
Die is nu om, een glas wijn helpt.
Morgen hoop ik in staat te zijn tot een beter logje, de wijn is niet koppig.
==

Katten poseren.


Deze foto’s zijn misschien nog bekend voor lezers van het eerste uur maar ik plaats ze toch bij gebrek aan recente plaatjes.
Dit was een vroegere buurkat die bij onze voordeur in de zon lag te krullen. Door het matglas werd het een bijzonder gezicht.
De kat die nu om me heen hangt is van andere buren maar doet hetzelfde: in de avondzon op de voordeurstoep hangen, liggen, knipogend en omrollend.
Af en toe gooit hij er een harde MAUW tegenaan en likt een luie poot.
Voor een kattenliefhebber is het een boeiend schouwspel.
Dat ik er een ben zal duidelijk zijn.

Foto’s maken van de kat-van-nu ging niet, komen binnenkort. Hier lijkt hij wel wat op.

 

 

 

 

 

Beer op vrijersvoeten. Verhaaltje.

Er viel sneeuw.
Heel weinig.
Er liep een donkerbruin berenjong door de straat, hij maakte sprongetjes om de vlokken te vangen. Het haalde niet veel uit, slechts enkele waren zichtbaar op zijn pels.
Na een half uur gaf hij het op en zette zich op een muurtje.
Een van de buurkatten kwam bij hem zitten.
‘Wat is er aan de hand?’ begon hij nieuwsgierig. ‘Zit je bij een ijsrevue?’
‘Nee hoor, ik probeer wit te worden. Ik wil een ijsbeer zijn.’
Bevreemd staarde de kat hem aan.
‘Een ijsbeer? Hier? Ga naar het noorden waar de sneeuw is.’
De beer rilde, ‘daar is het zo koud.’
‘Maar dat hoort zo voor ijsberen, wist je dat niet?’
‘Jawel maar ik probeer het op deze manier. Dit is nog net draaglijk.’ Hij zag de kat fronsen, ‘denk je dat het lukt?’ vroeg hij hoopvol.
De kat zag dat het nog een heel jong jong was..
‘Waarom wil je het?’ vroeg hij.
‘Eh, ik eh, mijn vriendin, ze is verliefd op Knut en treurt nog steeds om zijn dood en nu dacht ik dat als ik wit werd en zij op mij ….’ verlegen viel hij stil.
Tjeem, dacht de kat, zwaar onder de indruk. ‘Dit is de ware liefde,’ sprak hij plechtig terwijl hij de berejongen over de rug streek. ‘Maar zoiets werkt echt niet. Weet je vriendin hier van?’
‘Nee, ik had het als verrassing bedoeld. Tja, als het niet kan ga ik maar naar huis.’
‘Komkom,’ antwoordde de kat, ‘niet zo droevig. Weet je wat? Ik leen je een witte bontjas en die trek je aan bij thuiskomst. Dan heb je nog altijd de keus: wil ze je in’t wit of in je eigen kleur. Nou? Strak plan?’
De beer sprong op. ‘Ik vind je geweldig, waar heb je de jas?’ want nu kreeg hij haast.
De kat haalde vrouwtjes’  mantel van de kapstok, ‘alsjeblieft,’  zei hij, ‘past ‘ie? Mooi. Stuur hem later terug en graag met een foto van je vriendin. Afgesproken?’
Jubelend nam het jong de jas aan. Hij  omarmde de kat en likte blij, beloofde foto’s en bezoekjes en vakanties  en doopnamen en vertrok, zwaaiend naar de schaarse sneeuw.
De kat trok zich spinnend terug achter het raam,  verwarmd door zijn goede daad.  Zo niet het vrouwtje dat huilend de politie melding maakte van diefstal, ‘hij was pas nieuw’,  snikte ze.
Ach, nou ja.

Enige tijd later verscheen een  lang bericht op het tablet van de kat.
‘Je weet niet hoe gelukkig we zijn, vriendin is nu model….’  De bijlage bevatte tientallen foto’s van een knappe berenmeid in de witte jas, van links, van rechts, met wapperende wimpers en halfopen sexy bek, met en zonder oorbellen, blinkende tanden, knipogend.  Op de achtergrond steevast de vrijer, verlegen maar trots haar tas dragend. ‘ps we zijn zwanger!!!’
Over teruggave van de jas werd niet gerept.
‘Ach,’ dacht de kat grootmoedig, ‘ze zijn vast gelukkig.’