Niets meer aan te doen (1)


Bij het openmaken van de doos trilden mijn handen. Verdorie, al
wéér een kater.
pakpapier1Geërgerd rukte ik het plakband aan flarden.
Een opgevouwen krant verscheen. Zonder argwaan nam ik hem op, keek en…
…legde hem meteen terug.
En keek opnieuw, me vasthoudend aan de tafel.
Dit, dit bestond niet.
Dit kon niet.
Geschokt, stom, zag ik de voorste helft van onze jonge kat. Op z’n zij, bek half open, kopje gedraaid met een kierend oogje. Een kreukelige vuilniszak stak er half onderuit.
Ik viel bijna flauw en zakte op een stoel.
Hulpzoekend dwaalden mijn ogen de keuken rond, zagen niets dan de spiegel met mijn eigen witte gezicht.
Geen moment twijfelde ik aan de afzender, mijn ex van wie ik dacht dat hij eindelijk onze scheiding accepteerde.
En nu dit, mijn god. Dit was te erg, hier moest ik wat aan doen.
Dat zou ik hem inpeperen en tikte zijn nummer in.
Hij nam niet op, de lafaard, zijn gram was gehaald.
Wat nu.
Een vuile mail? Politie waarschuwen? In een tweet rondsturen?
Langzamerhand veranderde mijn schrik in woede, dit was geen kleinzielig getreiter meer.
Nog een geluk dat we geen kinderen hadden. Deze gedachte benam me bijna de adem —een kind, alles voor een kind, waarom denk je dat ik drink? Toe, Josh, maak me een baby.… –
Ik huiverde.
Een baby, met mijn drankzucht en zijn lafheid, ik huiverde nogmaals.
=
© Brt. bertjens

Bijna nacht

nachtbirds-4395443__340
Kwart over elf en nog steeds geen donkere lucht. Niet zozeer door zomertijd,  lichte nachten zijn  typerend voor de langste dagen.
Ik houd er wel van. Waar een zus klaagde van ‘het wil maar niet donker worden’ mogen van mij alle nachten  zo blijven.
In die bleke stilte is elk landschap spannend, zijn alle smalle straatjes en stegen enger dan in het echte donker. De tuin ziet er wonderlijk uit met vreemde planten, een schielijke kat verdwijnt, flauw geritsel klinkt op. Aan de straatkant is het stil, de kat kruipt nu onder een auto.
Als ik niet zo’n bangerd was zou ik mijn matras buiten neerleggen en luisteren en rondkijken, wie weet wat ik dan zag. In slaap vallen tussen de bloemen, een kinderwens bijna.
katschaduw 009 - kopie
Maar dan zou een beest met vleeshonger mij ontdekken en besluipen terwijl ik daar lig te dromen. In gedachte zie ik mezelf oprichten met nog anderhalf been en hem wegschieten met een voet waarvan de tenen uit zijn bek hangen.
Rillend stap ik het bed in.
Echt, prachtig, die lichte nachten.
Dat ze nog lang mogen blijven om ervan te genieten.
Slapen doe ik binnen.
==

Miniherinneringen

Dat speciale lachje van moe, zus, schooljuf, vrijer, vriendin.
Knipoog van pa.
De buurjongen die voor jou een stukje kauwgom uit zijn mond haalde.
Een nieuw schrift, helemaal blanco en een gloednieuwe pen.
Een hond voor wie je nou es niet bang was, de kat die het liefst bij jou zat.
terrasgarden-4325782__340Dat tuintje.
Zoveel dingen die ondersneeuwen door de berg van grotere gebeurtenissen die belangrijker waren wat natuurlijk waar was maar die allemaal in albums staan en al honderd maal zijn opgehaald.
Af en toe duiken ze op, de kleinigheden.
Vertederend, je bent blij ze weer te weten. Beetje ontroerend ook. Niet te delen met iemand want je kunt ze niet precies uitleggen.
Daarom schreef ik ze nu op.
Dat opduiken gebeurt elk jaar een beetje minder.
==

Alle woorden 1 lettergreep.

kattenoogcat-606711__340Dit is het oog van een kat die voor het raam zit.
Je ziet een mens, voor het raam en in het oog.
Ik ken die mens niet, die mens mij ook niet, de kiek is niet van mij.
De kat is me vreemd.
Hij heeft een mooi groen oog, dat wel, of hij een lief dier is vraag ik me af. Hij lacht niet.
Het raam lijkt groot, hoe groot dan? Vraag het de kat, wie weet zegt hij ja. Of nee. Je kunt niet van een kat op aan.
Hij mauwt slechts. Een poes doet dat ook, en hun klein grut.
Hij kent dus maar één woord, dat is niet veel, zelfs de hond kent er twee: woef en waf.
Hij…
… en zo voorts.

Dit lijkt zo makkelijk. Maar ga je één tel te vlug, dan is het mis. Voor je het weet heb je een te lang woord  en moet daar een vervanger voor nemen.
Nuttig is het allemaal niet maar het houdt iemand bezig en van de straat.
=

Opschepper

De verveelde dikke kat
die ons zo hautain bezat
en een saaiig leven leidde
sloom en lui de tijd verbeidde
de rooie met die strepen
heeft zojuist een plan bedacht.

katcat-1056661__340— Straks verbrand ik al mijn schepen
ik ga op zwoele-vrouwenjacht
met mijn imposante moed
en bijna-Siamezenbloed
schaak ik, puur voor  dolle gein
een Perzerin
een Russisch blauwe
en een slanke Abessijn
man, wat zal ik van ze houe. —

Hij droomt alvast van voorplezier
bij’t wachten op de maan
want een rasecht kattendier
zal in het donker gaan.
==
© Bertie

Allemaal weer bijgeknuffeld?

Dan kun je nu die van mij overnemen.
Ik knuffel niet zomaar, eigenlijk haast nooit. Het is voor mij een privé gebaar dat ik niet gauw maak behalve naar gezin en familie.  Ook de drie zoenen hield en houd ik zoveel mogelijk af, het is me te eigen.
Je mag me gerust koel noemen, kil desnoods, het haalt me niet over de streep.
Ik ben heus warm opgevoed. Verjaardagen, lange afwezigheid, examens, gedenkdagen, ze gingen onveranderlijk vergezeld van een arm en dikke zoen van mijn moeder gevolgd door  een iets dunnere en een hand van mijn vader.
Ook bij verdrietigheden als overlijdens kregen we hun aandacht.
Soms komen kat en hond in aanmerking, misschien een koe als ik hem tegenkom. Bomen niet, dat is leuk voor deze koala en voor prinsessen.
koala-4450420__340
Het geknuffel wat ik heb zien groeien, van het gedoe door plakkerige klasgenootjes tot een geaccepteerde gewoonte, daar kan ik niet aan meedoen.
Wanneer iemand me ermee overvalt voel ik me opgelaten en maak me een beetje lacherig los.
Je snapt dat de  afstandsregels van corona me absoluut geen last bezorgden, ook de anderhalve meter niet. Integendeel.
Nu hoef ik niet bang te zijn dat bloggers me knuffelen.  Achter een scherm valt zoiets niet mee en dan de afstanden. Nog afgezien van het feit dat ik geen knuffelzin opwek met de logjes die ik schrijf.
Dus….
… iedereen knuffelt maar zoveel hij wil, ik kijk wel toe.
=

Vreemde dieren

Er stond een paard te wachten toen we langs de wei fietsen. Hij wenkte ons en schudde met zijn manen.
We stopten.
– Dag paard, wat is er aan de hand?
– Schele hoofdpijn.
– Wablief?? Heb je daar vaker last van?
Hij draaide zijn hoofd en wees op het gestreepte dek. ‘Was vorig jaar al antiek,’  mopperde hij.
– Vraag een nieuwe voor je verjaardag,  zeiden we.
Hij snoof. -Ik wil een koekje. Twee koekjes.
We troffen het, een onwijs paard. En ontevreden erbij.
We zwaaiden, stapten weer op en reden naar huis.
Daar aangekomen draaide de kat om onze benen, duwde en snorde.
Zijn bakken waren nog niet leeg, we wisten niet wat hij wilde.
Hij wees naar zijn bek.
Grinnikte man: misschien wil hij ook een koekje, twee koekjes.
De kat ging meteen mooizitten, ik zou zweren dat hij knikte.
==