Beer op vrijersvoeten. Verhaaltje.

Er viel sneeuw.
Heel weinig.
Er liep een donkerbruin berenjong door de straat, hij maakte sprongetjes om de vlokken te vangen. Het haalde niet veel uit, slechts enkele waren zichtbaar op zijn pels.
Na een half uur gaf hij het op en zette zich op een muurtje.
Een van de buurkatten kwam bij hem zitten.
‘Wat is er aan de hand?’ begon hij nieuwsgierig. ‘Zit je bij een ijsrevue?’
‘Nee hoor, ik probeer wit te worden. Ik wil een ijsbeer zijn.’
Bevreemd staarde de kat hem aan.
‘Een ijsbeer? Hier? Ga naar het noorden waar de sneeuw is.’
De beer rilde, ‘daar is het zo koud.’
‘Maar dat hoort zo voor ijsberen, wist je dat niet?’
‘Jawel maar ik probeer het op deze manier. Dit is nog net draaglijk.’ Hij zag de kat fronsen, ‘denk je dat het lukt?’ vroeg hij hoopvol.
De kat zag dat het nog een heel jong jong was..
‘Waarom wil je het?’ vroeg hij.
‘Eh, ik eh, mijn vriendin, ze is verliefd op Knut en treurt nog steeds om zijn dood en nu dacht ik dat als ik wit werd en zij op mij ….’ verlegen viel hij stil.
Tjeem, dacht de kat, zwaar onder de indruk. ‘Dit is de ware liefde,’ sprak hij plechtig terwijl hij de berejongen over de rug streek. ‘Maar zoiets werkt echt niet. Weet je vriendin hier van?’
‘Nee, ik had het als verrassing bedoeld. Tja, als het niet kan ga ik maar naar huis.’
‘Komkom,’ antwoordde de kat, ‘niet zo droevig. Weet je wat? Ik leen je een witte bontjas en die trek je aan bij thuiskomst. Dan heb je nog altijd de keus: wil ze je in’t wit of in je eigen kleur. Nou? Strak plan?’
De beer sprong op. ‘Ik vind je geweldig, waar heb je de jas?’ want nu kreeg hij haast.
De kat haalde vrouwtjes’  mantel van de kapstok, ‘alsjeblieft,’  zei hij, ‘past ‘ie? Mooi. Stuur hem later terug en graag met een foto van je vriendin. Afgesproken?’
Jubelend nam het jong de jas aan. Hij  omarmde de kat en likte blij, beloofde foto’s en bezoekjes en vakanties  en doopnamen en vertrok, zwaaiend naar de schaarse sneeuw.
De kat trok zich spinnend terug achter het raam,  verwarmd door zijn goede daad.  Zo niet het vrouwtje dat huilend de politie melding maakte van diefstal, ‘hij was pas nieuw’,  snikte ze.
Ach, nou ja.

Enige tijd later verscheen een  lang bericht op het tablet van de kat.
‘Je weet niet hoe gelukkig we zijn, vriendin is nu model….’  De bijlage bevatte tientallen foto’s van een knappe berenmeid in de witte jas, van links, van rechts, met wapperende wimpers en halfopen sexy bek, met en zonder oorbellen, blinkende tanden, knipogend.  Op de achtergrond steevast de vrijer, verlegen maar trots haar tas dragend. ‘ps we zijn zwanger!!!’
Over teruggave van de jas werd niet gerept.
‘Ach,’ dacht de kat grootmoedig, ‘ze zijn vast gelukkig.’

 

Advertenties

Terug van logeerpartij

Hartelijke ontvangst, aangenaam verblijf met lekker eten, drinken, fijn bed, goede gesprekken, wandelroutes, lees- en oplaadwerk aanwezig, kortom, ik voelde me welkom.
En toch.
Weerom komen is minstens zo aangenaam.
Ik loop de kamer en keuken door, neus in slaapkamers en schuur, neem een kijkje in de garage en overzie het winterdorre achtertuintje waarin een paar dooie sprieten waaien. Er zijn groene puntjes zichtbaar, sneeuwklokjes?
Een eigenzinnige kat zit op de schutting, hautain negeert hij mijn geroep. De buurhond keft en ik doe kssst.
In de keuken maak ik een kop nesccafé.
Strek me dan in de luie stoel met kranten, dampende mok, puzzels, boek, pen, tablet, soezerige ogen die herhaaldelijk dichtvallen.
Ik ben weer thuis.

Zuinig? Nee…

Uiteraard zijn echtgenoot en ik opgegroeid met zuinigheid, dat hoorde vroeger  zo, schijnt het.

Wij hebben dat niet overgenomen.
Al jong zagen we het nut niet in van gezond maar karig broodbeleg, kleurloze ranja, doorgeschoven fietsen en wat dies meer zij.
En dan het eten voor kat en hond. Geen brokken, wat wij kregen aten zij ook en wat wij niet lustten aten ze er bij. Het gedweil met water en zeep om hun braaksels op te ruimen moet een vermogen hebben gekost, tel uit je winst.
Hinderlijk waren de 20-watt-peertjes in gang-, kelder- en wclampen.
En meer van dat.
Nee, niets voor ons, besloten we.
Met royale gebaren leefden wij en onze eigen hond uitbundig tot we de laatste handdoek moesten verkopen en bijna verhongerden van armoe maar wat wàs het een mooie tijd.
En de honger, die overleefden we makkelijk.
De ouders lieten ons voldoende na om weer aan te sterken, dat was een mooi gebaar van ze.
En nuttig.

Impressie

Bergkammen in de verte zijn verrassend. Bij het wakker worden zien we de ene dag stoere Pyreneeën , de andere dag niets. De oorzaken zijn divers. Wolken, mist, heiig weer, ochtendhumeur, wie kent de diepste gedachten van een berg.   Het lijntje op de foto↓ geeft de werkelijke hoogte aan.  Avondluchten waren spectaculair, de zuivere lila-kleur kreeg ik niet te pakken maar de schoonheid is duidelijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

Natuurlijk ontkwamen we niet aan de maïsvelden hier en daar, tot ver in de bergen. Komend uit Oost-Brabant kijk ik er altijd van op en zal er geen micrometer film aan wijden. Stap je uit de eigen omgeving, komen de akkers je achterna. Daar ga je niet voor op vakantie.

 

 

 

 

 

 

 

Mooier was een meertje dat we hier niet verwachtten, een plas waarin zelfs ontwortelde bomen en een scheepswrakje verankerd zaten. De eigenaar woont er hemels en we genoten een middagje mee.
Stel je voor:
bossen rondom, bergen op rij-afstand, een nieuwsgierige reiger aan de overkant, luie kat aan je voeten, bellenknappende vissen in het water.
Zomerse stilte.
En een glas wijn.
Het was volmaakt.

Geweten

Een lastig ding.

In de kindertijd liet het zich al horen, onmerkbaar voor anderen, voelbaar voor mezelf.
De kat wegduwen van je legpuzzel, huilend broertje knijpen, kwaad worden op je moeder.
Minizondetjes die voelden als verraad.  Ik had niet zo kattig moeten zijn, Moortje was alleen maar lief, broertje was alleen maar een jochie dat niet beter wist, moe vroeg alleen maar om een boodschap, aldus het geweten.
Dan dook ik nog verder in een schriftje of boek om mijn schuld te vergeten.
Meestal lukte het, zo niet dan spaarde ik mijn fouten op tot de biecht. Dat was een katholiek bedenksel waar we veel baat bij hadden zolang we klein waren.
Niet lang.
Eenmaal boven de tien jaar begon de twijfel. Pastoor had je dan wel spijt afgedwongen  maar wisten kat, broertje en moeder dat ook? Vast niet en om dat vervelende geweten te sussen gedroeg ik me overdreven lief. Gelukkig hield ik dat nooit lang vol, een dag op zijn hoogst want niemand herkende me daarin.
Later ging het om andere dingen. Ze losten zich allemaal op maar schuldgevoel bleef me manen.
Hoe anderen het hadden weet ik niet, het kindergedrag zal waarschijnlijk herkenbaar zijn.
Zelf leerde ik pas te relativeren bij het volwassen worden al twijfel ik aan de afronding van dat proces.
Ik vind het geweten nog steeds een lastig ding.

Tuinwerk

Eens liepen vriend en ik door het tuintje van een zus.  We aaiden de kat en bevoelden de perziken.
Ze waren nog niet rijp, wel merkten we iets anders: de bodem veerde. Vreemd, bij elke stap hupten we ’n beetje, een gekke  gewaarwording. De kat opende een geërgerd oog. Hij hupte niet.

‘Wat is dat nou?’ vroeg vriend.
Er schoot me niets anders te binnen dan een flauwe grap. ‘Dat is speciale mest voor dit perzikenras, tegen de rot.’
‘Wat raar…’ Hij geloofde me niet.
We hupten wat heen en weer en net wilde ik toegeven dat ik het niet wist toen zus er bij kwam. Ze zag ons springen.
‘Je heb het al gevonden. Goed idee van ons hè, we wisten niet wat we er mee aan  moesten en wilden het niet bij de vuilnis  zetten.’
Ze zag ons onbegrip.
‘Dat oude grote matras weet je wel, met die binnenvering.’
Onze breinen werkten te traag. Wat wil je, met al dat gehups.
Luid en langzaam zei ze  ‘We-hebben-het-ding-hier-begraven…. ‘

Van wie?

Er moet gestofzuigd worden.
Ik moet naar de groenteboer.

Het dekbed moet gelucht.
Dat brood in de diepvries moet op.
Ik moet de ramen lappen.
Er moet geschoffeld worden.
Ik moet opstaan.
Ik moet op visite.
Er moeten…
Ik moet…  waarom eigenlijk?  De kat was verstandiger.
( Nu moet ik nodig en dat is echt)

Er was eens…

…een muizinnetje.
Een knap en lief ding, alleen jammer dat ze nogal vraatzuchtig was.
In het nest begon het al; niet bespeurde ze haar moeder of ze dronk. Veel meer dan de broers en zusjes.
En zo bleef het, met pap, snoepjes, kaas, chips, het was buitengewoon lastig voor de rest van het gezin dat zus alles voor hun neuzen weg snaaide.
Moeder hield haar voor dat ze er beter aan deed zich te matigen. ‘Je eet je nog dood!’ waarschuwde ze onheilspellend.
‘Nou en?’ zei haar vader, ‘dat is haar eigen schuld. Hoeven wij niet meer als een gek op ons kaasje te letten.’
Tja, dat vond moeder wel hard; van de andere kant, muizen werden niet oud en als haar dochter verkoos zich naar het graf te eten was dat misschien te verkiezen boven de kat of de klem. Ze zuchtte.

Met kerstnacht, op foeragetocht in de voorraadkamer, troffen ze de helft van een enorme kerststol en het bijzondere was dat hij daar zomaar, onafgedekt, op de plank stond.  Het muizengezin werd stil bij de aanblik.
Eerbiedig kringden ze rond  het grote mensenbrood. De geur van het baksel, de vruchten, de spijs bedwelmde hen bijna.
Zo niet het muizinnetje. Ze dook pardoes middenin de spijs en at, nee, ze vrat en vrat,  met vreselijke wellust ging ze kopje onder in het brood.
De anderen wilden haar al naspringen als er gestommel klonk en de deur openging. Een mensenstem riep: muizen, ik hoor ze duidelijk. Poes, doe je plicht.
Natuurlijk wachtten ze de kat niet af en schoten als gekken naar hun muizenhuizen  behalve de vreetster.
Ze wilde wel maar kon niet, klem als ze zat in het gat van de spijs die ze op had.
Bibberend wachtte ze op haar lot.
En ja,  een kattenlach weerklonk,  een laatste piep. Vals gespin begeleidde een zacht sleepgeluid.
Vraatzucht en de kat werden haar noodlottig.
Ze had zich naar de dood gegeten.

Achter hun voordeur bogen vader, moeder en de rest van het gezin hun hoofdjes. Ze baden voor muizinnetjes zielenheil en hoopten dat er nog wat over was van de kerststol.
©
  kerststolindex

Later word ik…


Toneelspeelster, dat wilde ik worden.
Uiteraard hield ik het geheim voor er weer gebemoeid werd. En geplaagd.
Uren bracht ik door voor de spiegel want ik zag mezelf als  karakterspeelster en probeerde alle eigenschappen uit die ik me kon indenken, van baby-blijheid tot bejaardenverdriet. Zelfs de hond en kat werden gepeild om me hun gevoelens eigen te maken. Leek me niet moeilijk, de hond keek altijd lief en de kat was doorlopend lui of hongerig.
Alleen de konijnen en kippen toonden niets interessants.
Zo oefende ik alle vrije ogenblikken, stond links- dan wel rechtsom geposteerd, loerde vanuit ooghoeken met vuile blikken (moordenaarsziel!), imiteerde een deftige mevrouw uit het dorp,  had zogenaamd groot verdriet.
Lastig was dat het stiekem moest, er was maar één grote spiegel in huis en die hing in de keuken. Uiteraard werd ik af en toe betrapt. Dan verzon ik gauw: ik doe tante T. na, of ome J. en zette schele ogen op.
Er werd gelachen. ‘Wat heeft zij nou weer?’ want het jongste meisje werd  nooit serieus genomen. Bovendien had ik altijd wàt (dat zeiden zìj).
Natuurlijk ging het over, dat doen grillen meestal.
Pas later kon ik mijn acteurskunsten demonstreren. Met veel plezier.
Je moet wel bij het krijgen van schattige tekeningetjes en aangeklede wcrolletjes.