Geweten

Een lastig ding.

In de kindertijd liet het zich al horen, onmerkbaar voor anderen, voelbaar voor mezelf.
De kat wegduwen van je legpuzzel, huilend broertje knijpen, kwaad worden op je moeder.
Minizondetjes die voelden als verraad.  Ik had niet zo kattig moeten zijn, Moortje was alleen maar lief, broertje was alleen maar een jochie dat niet beter wist, moe vroeg alleen maar om een boodschap, aldus het geweten.
Dan dook ik nog verder in een schriftje of boek om mijn schuld te vergeten.
Meestal lukte het, zo niet dan spaarde ik mijn fouten op tot de biecht. Dat was een katholiek bedenksel waar we veel baat bij hadden zolang we klein waren.
Niet lang.
Eenmaal boven de tien jaar begon de twijfel. Pastoor had je dan wel spijt afgedwongen  maar wisten kat, broertje en moeder dat ook? Vast niet en om dat vervelende geweten te sussen gedroeg ik me overdreven lief. Gelukkig hield ik dat nooit lang vol, een dag op zijn hoogst want niemand herkende me daarin.
Later ging het om andere dingen. Ze losten zich allemaal op maar schuldgevoel bleef me manen.
Hoe anderen het hadden weet ik niet, het kindergedrag zal waarschijnlijk herkenbaar zijn.
Zelf leerde ik pas te relativeren bij het volwassen worden al twijfel ik aan de afronding van dat proces.
Ik vind het geweten nog steeds een lastig ding.

Tuinwerk

Eens liepen vriend en ik door het tuintje van een zus.  We aaiden de kat en bevoelden de perziken.
Ze waren nog niet rijp, wel merkten we iets anders: de bodem veerde. Vreemd, bij elke stap hupten we ’n beetje, een gekke  gewaarwording. De kat opende een geërgerd oog. Hij hupte niet.

‘Wat is dat nou?’ vroeg vriend.
Er schoot me niets anders te binnen dan een flauwe grap. ‘Dat is speciale mest voor dit perzikenras, tegen de rot.’
‘Wat raar…’ Hij geloofde me niet.
We hupten wat heen en weer en net wilde ik toegeven dat ik het niet wist toen zus er bij kwam. Ze zag ons springen.
‘Je heb het al gevonden. Goed idee van ons hè, we wisten niet wat we er mee aan  moesten en wilden het niet bij de vuilnis  zetten.’
Ze zag ons onbegrip.
‘Dat oude grote matras weet je wel, met die binnenvering.’
Onze breinen werkten te traag. Wat wil je, met al dat gehups.
Luid en langzaam zei ze  ‘We-hebben-het-ding-hier-begraven…. ‘

Van wie?

Er moet gestofzuigd worden.
Ik moet naar de groenteboer.

Het dekbed moet gelucht.
Dat brood in de diepvries moet op.
Ik moet de ramen lappen.
Er moet geschoffeld worden.
Ik moet opstaan.
Ik moet op visite.
Er moeten…
Ik moet…  waarom eigenlijk?  De kat was verstandiger.
( Nu moet ik nodig en dat is echt)

Er was eens…

…een muizinnetje.
Een knap en lief ding, alleen jammer dat ze nogal vraatzuchtig was.
In het nest begon het al; niet bespeurde ze haar moeder of ze dronk. Veel meer dan de broers en zusjes.
En zo bleef het, met pap, snoepjes, kaas, chips, het was buitengewoon lastig voor de rest van het gezin dat zus alles voor hun neuzen weg snaaide.
Moeder hield haar voor dat ze er beter aan deed zich te matigen. ‘Je eet je nog dood!’ waarschuwde ze onheilspellend.
‘Nou en?’ zei haar vader, ‘dat is haar eigen schuld. Hoeven wij niet meer als een gek op ons kaasje te letten.’
Tja, dat vond moeder wel hard; van de andere kant, muizen werden niet oud en als haar dochter verkoos zich naar het graf te eten was dat misschien te verkiezen boven de kat of de klem. Ze zuchtte.

Met kerstnacht, op foeragetocht in de voorraadkamer, troffen ze de helft van een enorme kerststol en het bijzondere was dat hij daar zomaar, onafgedekt, op de plank stond.  Het muizengezin werd stil bij de aanblik.
Eerbiedig kringden ze rond  het grote mensenbrood. De geur van het baksel, de vruchten, de spijs bedwelmde hen bijna.
Zo niet het muizinnetje. Ze dook pardoes middenin de spijs en at, nee, ze vrat en vrat,  met vreselijke wellust ging ze kopje onder in het brood.
De anderen wilden haar al naspringen als er gestommel klonk en de deur openging. Een mensenstem riep: muizen, ik hoor ze duidelijk. Poes, doe je plicht.
Natuurlijk wachtten ze de kat niet af en schoten als gekken naar hun muizenhuizen  behalve de vreetster.
Ze wilde wel maar kon niet, klem als ze zat in het gat van de spijs die ze op had.
Bibberend wachtte ze op haar lot.
En ja,  een kattenlach weerklonk,  een laatste piep. Vals gespin begeleidde een zacht sleepgeluid.
Vraatzucht en de kat werden haar noodlottig.
Ze had zich naar de dood gegeten.

Achter hun voordeur bogen vader, moeder en de rest van het gezin hun hoofdjes. Ze baden voor muizinnetjes zielenheil en hoopten dat er nog wat over was van de kerststol.
©
  kerststolindex

Later word ik…


Toneelspeelster, dat wilde ik worden.
Uiteraard hield ik het geheim voor er weer gebemoeid werd. En geplaagd.
Uren bracht ik door voor de spiegel want ik zag mezelf als  karakterspeelster en probeerde alle eigenschappen uit die ik me kon indenken, van baby-blijheid tot bejaardenverdriet. Zelfs de hond en kat werden gepeild om me hun gevoelens eigen te maken. Leek me niet moeilijk, de hond keek altijd lief en de kat was doorlopend lui of hongerig.
Alleen de konijnen en kippen toonden niets interessants.
Zo oefende ik alle vrije ogenblikken, stond links- dan wel rechtsom geposteerd, loerde vanuit ooghoeken met vuile blikken (moordenaarsziel!), imiteerde een deftige mevrouw uit het dorp,  had zogenaamd groot verdriet.
Lastig was dat het stiekem moest, er was maar één grote spiegel in huis en die hing in de keuken. Uiteraard werd ik af en toe betrapt. Dan verzon ik gauw: ik doe tante T. na, of ome J. en zette schele ogen op.
Er werd gelachen. ‘Wat heeft zij nou weer?’ want het jongste meisje werd  nooit serieus genomen. Bovendien had ik altijd wàt (dat zeiden zìj).
Natuurlijk ging het over, dat doen grillen meestal.
Pas later kon ik mijn acteurskunsten demonstreren. Met veel plezier.
Je moet wel bij het krijgen van schattige tekeningetjes en aangeklede wcrolletjes.

Lachebed


Humor is de beste medicijn  las ik in een oud blaadje over mensen van wie de liefdesprestaties afnamen.
Een dubieus advies.
Wel eens geprobeerd een vrijpartij op te zetten terwijl een goeie cabaretier op het scherm zijn verhaal doet? Of een mop vertelt? Eigenzinnige
kat onder het bed vandaan moeten vissen?
Inderdaad, je lacht je suf. Tè suf wellicht.
Humor is de dood in de vrijpot.

Kat. Oud verhaaltje

-Ik verveel me, dacht Pers, ik moet wat leuks doen. Hij sprong op de vensterbank.
Zorgvuldig drapeerde hij zijn spierwitte vacht tussen knalgroene geraniums waar hij ging slapen met kiertjesogen, belust op publiek.
Een man kwam voorbij; knipogend.
Een echtpaar zwaaide, loom hief Pers zijn staartpunt. Kleine meisjes staarden verliefd; hij genoot. Altijd een succes, dit spelletje; lief likte hij een voetje.
Tot
de  kop van Tijger verscheen, grinnikend. Aanstellerig  tilde hij een voorpoot en likte aan een klauw.
Donderop, mimede Pers.
Tijger grijnsde.
Ga terug naar Afrika, schlemiel.
Klakkend beet Tijger naar het raam.
Pers belde de Circusdirecteur. Die haalde Tijger subiet op en Pers ging tevreden verder met zijn spelletje.
The world is mine, spon hij.

Heks zonder maan

‘Oeoeoewaaahhh’, gaapte de heks, ‘ik verveel me suf, tijd voor een maanritje.’
Ze maakte er werk van; een lange rok van Witchie Balmain , de puntste hoed die ze kon vinden, een geurig shotje Soir de Magie achter de oren -je wist maar nooit wie je tegenkwam- en daarmee was ze reisvaardig. ‘Ben je klaar Zwarte?’ vroeg ze de kat. ‘En jij, Kraskop?’  De kraai bleef liever thuis om Vreemde Vogels te bekijken.

Ze zette haar voertuig klaar, een supermoderne vliegbezem, aëro-dynamisch met aangespitste punt en voorzien van iPad,  iPed, iPid, iPod en iPud met zilveren aantrapper plus een automatisch regenscherm dat zich bij de eerste druppel uitvouwde.
Ze prevelde een magisch password en ze schoten weg. ‘Hoeiii,’ riepen ze samen, ‘here we góóó…’.
Die vrijheid, dacht ze,  is nergens mee te vergelijken.  Ze zwaaide naar een verlate mus, dook een cumulusje in, ze genoten.  ‘Joepierrrrr,’ spinde de Zwarte.
Nu  naar de maan om rakelings langs zijn lichtbol te scheren en te zwaaien naar de grote telescopen.
Maar, hééé,  geen maan vandaag? Donkerte was alles wat ze zag.
‘O my God, dat is natuurlijk een zwart gat, ik mag wel oppassen dat ik er niet in donder.’  Ze was weliswaar hedendaags geschoold maar niet bijzonder intelligent,
Ze stuurde de bezem rondom het gevaar, zorgvuldig wegblijvend van de rand.
Ze kwamen niemand tegen en de rit  verveelde al gauw.
‘Is dit alles vanavond?’ dacht ze. ‘Da’s ook niet veel.’
Teleurgesteld vlogen ze naar huis.
‘Dat is snel,’  kraakte Kraskop toen ze binnenstapten.
‘Er was niks an; een groot gat en volgens mij zat de maan er al in, ik zag hem nergens.’
Ze stalde de bezem, Zwarte ging op muizenjacht.
‘Zullen we dan maar een frietje bakken jongens? Glaasje muizenbloed erbij?’
En dat deden ze.

© Bertie

Verliefd, verloofd, en de kat….


Een logje over geuren bij  Ans  deed me onmiddellijk denken aan een idioot voorval op onze verlovingsdag.

Vóór het feest begon kwam aanstaande met een cadeautje: mijn lievelingsparfum Soir de Paris in het grootste flesje dat hij kon vinden. Een vrij zware geur, die indertijd populair was.
Daar was ik erg blij mee, verguld zette ik de fles op het dressoir.
Korte tijd voor we de visite verwachtten hoorden we opeens een vies prrr-geluid en roken meteen een onbeschrijfelijk- smerige lucht: de kat had stiekem in een hoek  gepoept. Misschien ziek van de parfum of opwinding.
We vlogen allemaal op; pa, moe, zus,  zwager, broers, aanstaande, struikelend met emmers en dweilen maar de stank bleef.
Zenuwachtig keken we naar de klok, de toestand werd nijpend, ieder ogenblik kon de bel gaan.
Toen, in opperste nood,  greep aanstaande de Soir de Paris van de kast en spoot de fles leeg in de bewuste hoek.
Het hielp, de parfum overwon.
Daarna wilden we de kat op het matje roepen maar die was hem gesmeerd.