Spinnen deel I


– ‘Spinnen en spinsen, hiermee verklaar ik ons seizoen geopend.’
Met een stevige ruk hechtte Arach het sierweb af.  De menigte was onder de indruk van het kunstwerk en klapte in de voorste poten. Er werden aaah’s en oooh’s geroepen en gehoopt dat hij zou opschieten voor de nacht viel. Ze popelden.
– ‘Wederom gaan we op pad. Een plaats zoeken, vrijheid vinden om vliegen te vangen, weven en genieten tot de winter en met wat geluk een paar maanden extra. Op pluizige vlieringen, wellicht in dossierkasten en linnenkamers.
Alvorens de herfstwereld te veroveren,’ vervolgde Arach, ‘eerst een paar dringende verzoeken.
– Bepaalde wijfjes dienen hun wellust in toom houden, na het vorig seizoen bleven er te weinig mannen over voor het zware werk. Ook voor de anderen geldt dat kannibalisme NIET wordt op prijs wordt gesteld, er zijn genoeg insecten en andere smerige hapjes.
En nu: LET’S GO!’
 Het spinnenvolk rende.  Langs en over elkaar,  gretig op zoek naar een goede webstek. Met name mensenhuizen waren gewild om het ruime aanbod van warme plekken. (Op een groepje sociaalvoelende natuurfreaks na die niet relevant zijn voor dit verslag.)
Ze naderden het dorp dat klein genoeg was om in te nemen, er stonden slechts drie woningen, een kapel en een alleswinkel.
De vorige herfst indachtig hadden de bewoners huiverend de luiken van alle panden gesloten en kieren zorgvuldig afgeplakt. Overmoedig deze keer, triomfantelijk bijna, wachtten ze de avond af en gingen rustig slapen, de onnozelen.
De overvallers lieten zich niet weerhouden, ze vonden minieme gaatjes waardoor ze met ingevouwen pootjes achter overgordijnen en gasfornuizen kwamen, onder tafels en stoelen, soms nèt een paar onwetende voeten ontwijkend.
Daar weefden ze hun webben. Van plooi naar plooi, van keuken naar kelder en voordat de ochtend aanbrak waren alle woningen gestoffeerd met bijna ondoordringbaar gespin.
Ze waren onder de pannen, tevreden rustten ze uit.

Morgenavond deel II en slot.