Vakantietuin

De tuin, daar hadden we al een poosje niet meer naar omgekeken.
Tot ik die ochtend -ik lag nog in bed-  een kreet hoorde:
0eoeoeoewahoeoeoeoewaahaa…aaaaa..aaaaaaaaahhh….
Ik schoot overeind, ‘hoorde je dat?’ Man sliep door.
Door het raam was niet veel te zien in de vroege schemer, er was alleen een hoop geritsel.
Het waait zeker, dacht ik. Het zal een uil geweest zijn, een schorre.
Net wilde ik weer het bed in of er klonk een vreemd gesnater.
Hù?  Nog meer geritsel;  wat raar.
Weer vroeg ik manlief, vergeefs.
In mijn eentje sloop ik naar beneden en deed voorzichtig de achterdeur open.
Wat ik zag? Je zult het niet geloven.
Boven op het vogelhuisje zat Tarzan, met Jane op zijn knieën.
Aan het hoogste druivenrek hing Cheetah, hij gaf net een nieuwe krijs ten beste voor Boy  die van de druiven snoepte.
Verbijsterd staarde ik naar dit tafereel dat nog vreemder leek door het grauwe ochtendlicht.
Als een absurdistisch toneelstuk.
Tarzan werd zich bewust van mijn gestaar en ook van de ramen die hier en daar geopend werden.
‘Niets aan de hand,’ riep hij ‘we waren aan vakantie toe.’
‘Ja,’ viel Jane in,  ‘al die jaren in een jungle, zo vervelend op de duur.’
‘Maar hoe komen jullie dan hier, over de oceaan en zo?’ klonk het uit een van de ramen.
‘Gewoon, flink aan een liaan slingeren. Die hebben we altijd bij ons, weet U. En verder goed rondkijken tot je hoog groen ziet’.
Hij wees in het rond.
‘Dit is een heel mooi bosje om uit te rusten, brandnetels, druiven, vogelboompje. Nu nog een onderkomen. We zoeken verder. Doei.’
Hij trok Jane over zijn schouder en riep Cheetah en Boy.
Ze wierpen hun lianen uit; lenig slingerden ze zich de lucht in. Boven het dak van de kerk zag ik ze voor het laatst, Jane zwaaide nog.  Vaag klonk hun oeoeoeaa-geroep.
Ik stond paf. Blij met brandnetels…
Terug in bed werd manlief wakker. ‘Wattizzutvandaag?’
‘Zaterdag, een mooie dag om de tuin op te knappen.’
‘Hè bah,  zullen we een geit huren.  Ik ken iemand die…’
Ik hield me slapend.

Advertenties