Sportdag van de spinnen. Deel 2

Sommige wedstrijdjes leveren problemen op; een Hardloper heeft stiekem teveel poten aan de grond, er raken ledematen in elkaar verstrengeld, bij de Wevers is kinnesinne over draaddiktes. Met Waterlopen is het vooral druk voor de reddingzwemmers, veel jonkies schatten de oppervlaktespanning niet goed in en gaan kopje onder hetgeen leedvermakelijk gejouw uitlokt van de Platbommers. Dan is het knokken waarna een glas Bavariachnibier de vrede hertekent.
Het is, kortom, een fantastische dag, een typisch maar genoeglijk sportevenement.

Halverweg de middag echter is er een vervelend intermezzo: er wordt een mens gesignaleerd.
De automatische uitkijktoren, die alleen maar aangestekkerd is omdat het in de reglementen staat, laat om kwart voor drie een aarzelend signaal trillen. Enkele alerte spinnen kijken op maar de meesten schenken er geen aandacht aan. Er gebeurt immers nooit wat bijzonders.
Na vijf minuten volgt opnieuw een signaal, dringender. Nu staken alle deelnemers hun strijd en begeven zich naar de ingang, benieuwd naar en hopend op sensatie.
Ze drommen met trappelende poten om de toren die een antieke robot-manier van communiceren heeft:
–Menss komt—heeft -blieb-full..eh..flitsssspuit—vorm defenssie alsjsjstublieft—Tarantula’s vooraan–grchchchmenssssss komt—prrrrut  Dit herhaalt hij enige malen tot hij zijn blikken geest geeft.
De spinnen spugen vol minachting op dit staaltje ouderwetse rotzooi. Ze trekken hun eigen plan en begeven zich in wriemelende draf naar het geboomte waar ze veilig in de takken hangen als er inderdaad een mens komt met een, eh, spuitbus.

Morgen verder.

Merel vs kat

Er klonk geritsel op het dak. Ik keek op en zag een merel over de koepel hupsen, hij had twijgjes in zijn snavel.

Een kwartier later weer een of dezelfde. En later nog een. Ik ging naar buiten, nieuwsgierig naar waar de vogel het nest bouwde. Bezorgd ook.
Een ander geluid werd hoorbaar, heel zacht. Van een kat die niet kon voorkomen dat het afdak waarop hij in sluipgang bewoog, licht kraakte. Hij zag me en stopte even, liep dan door met zwiepende staart.
Waarschuwingsgeroep van de vogel waarop ik wachtte bleef uit. De kat zette zich in de loerhouding en wachtte ook.
Er kwam niets.
Toen heb ik de kat zelf weggejaagd want hoeveel ik ook van katten houd, een merelwoning in aanbouw, daar moet hij van afblijven.
Ik dacht niet ver genoeg vooruit.  Niet aan de  jonkies die straks uitvliegen onder pootbereik van dezelfde kat. Dat dat erger is dan een vernield huis vóór er eieren in liggen.
Zucht.
Wanneer doen we het goed?