Even iets anders. Over glazen.

Na een grotemensenverjaardag slopen broer en ik ’s morgens naar de keuken waar de lege glaasjes stonden te wachten op de afwas. Op een hoge richel die ons niet tegenhield, we trokken er een stoel bij en snoepten de laatste druppels van jenevers met suiker, zoete bessenwijn, advocaat, boerenjongens en zo. Tot Moe ons terug naar bed stuurde. Ze was heel boos maar kwam nooit op het idee de glaasjes in een bak water te zetten.
Naar verluidt deden andere kinderen dit ook.

drankbottles-50573__340Ergens ooit las ik iets over alcohol en hersenen, de smaak ervan blijft voor altijd in het geheugen. Ik weet niet hoeveel waarheid er in schuilt.
Het wil zeggen dat, wanneer een kind of baby alcohol proeft, het als basis kan dienen voor  een drankverslaving:  elke nieuwe slok wordt  door de hersenen herkend en als bevredigend ervaren tot iemand niet meer zonder kan.
Het klinkt plausibel, zij het dat alcohol ook voor anderen een leuke ervaring kan zijn en niet tot een verslaving leidt.

Als genoemde stelling waar is, kan iemand dus alcoholist worden buiten zijn/haar schuld. Een akelig idee maar het is niet uitgekomen.
In dat geval hadden veel verslaafden naar de ouders kunnen wijzen: we konden er niets aan doen.
Dat zou een moderne verdediging zijn geweest.
===

Regendag

Toen de regen niet ophield en de dakdekker weigerde het gat te repareren omdat het te nat was zodat ik gek werd van het gedrup in een emmer gaf ik mijn ongeduld op.
Wachten kan ook op een betere manier.
Met wattendotten in de oren en een plens jenever in de thee zette ik me op de bank. Prettige stilte hing om me heen, het vage geluid van water klonk als in de verte.
Verzaligd leunde ik achteruit en nam nog een slok. Bladerde wat in de krant , las hier en daar een woord.
Vulde het glas bij.
Hoe zou het zijn een leven als dit te leiden?
Zou het een mens gelukkig maken?
Opgewarmd door de thenever filosofeerde ik een eind weg toen er opeens een figuur voor het raam verscheen. Hij wees naar de deur.
Ik schrok me lam,  haalde de watten uit mijn oren en opende de voordeur.
Daar stond een man in een rubber bootje met peddels en zwemspeelgoed. Koffer op de bodem.
Hij klapte het deksel open en begon.
‘Meneer, ik zie dat U aan waterssport doet. Kijk eens wat een prachtig spul ik voor U heb’. Hij haalde een snorkel te voorschijn, zwempakken, reddingsgordels, badmutsen, harpoengeweren, zwemvliezen, waterdichte brooddozen, een vlot en zelfs een badeend. Die kwaakte chagrijnig.
‘Maar hoe komt U erbij dat ik zwemmen wil?’
‘U drijft toch? Dus ik dacht…’
Dreef ik? Ik keek naar beneden en verdomd, water stroomde over de vloer via de stoep naar buiten. Rondkijkend zag ik de emmer overlopen.
‘Neem de boot, dan krijgt U alle extra’s gratis. En van de eend wil ik ook af, het kreng lacht nooit.’ Het beest keek nog steeds chagrijnig maar ja, ik kon hem altijd nog voor een Pekingschotel gebruiken. Ik accepteerde. De man wenste me veel plezier en dreef verder.
De boot sleepte ik naar het lek, leegde de emmer er in en plonsde de eend erbij.
Kwaad loenste hij naar me op. Ik schonk hem de rest van de thee. Hij proefde en schudde met een vies gezicht zijn kop.
Dan maar een scheut jenever erbij; dat hielp, na één slok kwaakte hij het hoogste lied, zwoel draaide hij zich op zijn rug en stak de poten omhoog. Eenden hebben niet veel alcohol nodig.
Zelf kroop ik opnieuw op de bank; zonder thee en oorwatten maar het gaf niet, de jenever hielp me de regen te negeren.
De rest van de dag is rustig verlopen, veronderstel ik.
We werden pas laat wakker en toen was het droog.
De dakdekker stond voor het raam en wees naar de voordeur.
==

Neukwaterwaard. Uit de nieuwsbrief Meertens Instituut september 2018

Neukwater.
Vrijelijk een plat woord opschrijven, nog seksueel getint ook.   Het mag, mijn ouders en de pastoor horen het toch niet.


Het gaat hier om  dit artikel
Over een schikking in 1614, betreffende een schuld.
De eiser is Cornelis Corstiaenstz, bijgenaamd Nueck water waert, een herbergier in Beverwijk. Hij verkocht o.a. jenever hetgeen in platte volkstaal ‘neukwater’ werd genoemd.
Het woord is niet te vinden in woordenboeken maar staat wel in een gedicht,
De bedroge girigheyd of Boertige comoedie van Hopman Ulrich van J. van Paffenrode uit 1661,  een opsomming van alcoholica die genuttigd wordt tijdens een slemppartij.
Alcohol werd toen, ook later nog, beschouwd als prikkel voor een beter liefdesleven.
Daar hoor je nu niemand meer over.

(Of ik het gedicht mag overnemen weet ik niet, het staat in het artikel als afbeelding).