Oude

Er sloft ’n bejaard kereltje door de straat.
Rondkijkend stopt hij, checkt zijn telefoon.
Ik houd hem aan. ‘Bent U verdwaald meneer? Waar moet u zijn?’
‘Dag mevrouw. Hier ergens zou ik een klein kind ontmoeten.’
Het Oude Jaar, begrijp ik. Hij ziet er ontevreden uit.
‘Is er geen plan voor de overdracht?’ vraag ik.’Dan kan ik U brengen.’
Hij mompelt dat hij op antwoord wacht.
Dan gooit hij eruit:
‘Ik ben blij dat het jaar om is, ik had er meer van verwacht. Had 2017 tot het jaar van de vrede willen maken. Zou starten met de grootmachten door elkaar te rammelen en daarna de religies afbreken, de mensheid en bloc te hypnotiseren via Internet, en…  wat was ik nog jong.’
Ik houd mijn adem in bij zoveel idealisme.
‘Uw opvolger lukt het misschien,’ troost ik.
Hij steigert. ‘Daar heb ik niets aan, die eer had ik zelf willen hebben. En nu nog verdwalen ook, gadverdamme wat een klote-einde.’
Tsss, jaloers en nog chagrijnig ook. Verbluft staar ik.
‘Sta niet zo te gapen, waarom moet ik vriendelijk zijn? Zo mooi was het allemaal niet, de keren dat ik voor noppes bijstuurde zijn talloos, het deed me veel verdriet en nu heb ik er genoeg van. Ik stap er uit en zelfs daarmee moet ik wachten, voor mij geen Drion. Bah!’
Wat te zeggen? Ik weet het niet. Het hoeft ook niet, zijn smartphone rinkelt.
Hij leest en grijnst opgelucht.
‘Hebbes. Overmorgen in de schuur van N, hopelijk zonder hennep en knallen.’  Hij steekt zijn hand op. ‘Houdoe.’
‘Veel geluk dan maar,’ roep ik hem na ‘en een voorspoedig 2018.’
Nog één keer kijkt hij om.  ‘Hou je soort voor de gek.’