Serie. Een horkerig mens.

Er was eens een vrouw, zo vreselijk hatelijk  dat ze zich af en toe sneed aan haar eigen scherpe tong.
Mensen ontliepen haar zoveel mogelijk, bevreesd als ze waren voor de vileine opmerkingen die ze maakte.
De humor waarmee ze kritiek lardeerde maakte de woorden slechts kwaadaardiger.

‘Pas maar op,’ zei ze tegen het buurmeisje dat verlegen haar eerste lippenstift probeerde, ‘jongens worden bang van je oorlogskleuren’ en tevreden liep ze door toen het gezichtje betrok.
‘Ga zo door,’ riep ze uit toen de wijkagent een snorretje liet staan, ‘nu krijgen we misschien ontzag voor je.’
Tegen de eigenaar van een buurtsuper was ze ronduit grof. ‘Wat lief dat U nog steeds die oude koeken bewaart. Voor de oudjes?’
Ook de groenteboer moest het ontgelden. ‘Ik zie dat de sla een zonnebad heeft genomen.’
De electronicamanager liet ze trillend achter met ‘Fijn dat het personeel niets weet uit te leggen, blijft er voor ons wat te gokken over.’
De slager zat haar eens achterna met zijn hakmes toen ze zei ‘Romantisch, die rubberlappen, doen me denken aan mijn eerste lekke band.’
Het zat in haar.
Zelfs bij een bezoek aan de nieuwe buurman die aandoenlijk zijn gastvrije best deed met zijn nieuwe senseo kon ze het niet laten. ‘Nostalgisch zeg, die ouderwetse vingerhoedjes. Met nescafé smaakten ze ook al niet.’

En zo hufterde ze door het leven.