Zuinig? Nee…

Uiteraard zijn echtgenoot en ik opgegroeid met zuinigheid, dat hoorde vroeger  zo, schijnt het.

Wij hebben dat niet overgenomen.
Al jong zagen we het nut niet in van gezond maar karig broodbeleg, kleurloze ranja, doorgeschoven fietsen en wat dies meer zij.
En dan het eten voor kat en hond. Geen brokken, wat wij kregen aten zij ook en wat wij niet lustten aten ze er bij. Het gedweil met water en zeep om hun braaksels op te ruimen moet een vermogen hebben gekost, tel uit je winst.
Hinderlijk waren de 20-watt-peertjes in gang-, kelder- en wclampen.
En meer van dat.
Nee, niets voor ons, besloten we.
Met royale gebaren leefden wij en onze eigen hond uitbundig tot we de laatste handdoek moesten verkopen en bijna verhongerden van armoe maar wat wàs het een mooie tijd.
En de honger, die overleefden we makkelijk.
De ouders lieten ons voldoende na om weer aan te sterken, dat was een mooi gebaar van ze.
En nuttig.

Advertenties

‘De mens is het enige dier dat bloost. Het zou het althans moeten doen’ Mark Twain.

’n Beetje relativeren mag wel.
We hebben het toch maar mooi tot zeveneneenhalf miljard exemplaren geschopt.
Tripjes naar de maan gemaakt met de meest geavanceerde raketten.
Bijna hemelhoge gebouwen neergezet.
Elektronica ontdekt (of uitgevonden).
Kennen bijna alle talen op aarde.
Hebben indrukwekkende kennisbanken in alle werelddelen.
Een paar grote geesten voortgebracht.
Machtige religie’s bedacht.
Diverse regeringsvormen uitgeprobeerd.
Hebben weet van van elkaars noden.
En nog veel meer.

Natuurlijk is het jammer dat er van die 7½ een paar honger hebben en er voor zeereisjes nog aftandse sloepen varen
Spijtig ook dat er hier en daar  hutjes staan voor teveel bewoners, maar ja, sommigen hebben dan wèl mobieltjes al werken die niet overal.
Het kwetst dat groepen mensen over elkaars taal en kerk struikelen, toegegeven.
Net als dikhuidige overheden die hun volk minachten
er meer wapens dan ploegen bestaan
kinderen sterven
mannen en vrouwen gemarteld worden
oorlogen worden gevoerd
machtsmisbruik bestaat
en nog veelmeer.

Eigenlijk voel ik me nu klein, heel klein.

===
Om tekst te vergroten:
houd ctrl ingedrukt en scroll.

Over trots


Een eigenschap die door sommige mensen hogelijk werd gewaardeerd, nog steeds.  Een bepaald soort trots. Je te groot voelen om hulp te vragen, zelf alles willen oplossen. Hier dacht ik aan bij het overlezen van ze-wilde-zelfstandig-blijven/
Als kind begreep ik niets van het idee.

We hoorden gesprekken waarin ronkend verhaald werd van ‘liever honger dan de hand ophouden’. De sprekers keken zegevierend rond, de meeste aanwezigen knikten. Niemand van hen zou het openlijk toegeven als men wèl financiële hulp  had aangevraagd.
Ze spraken over tijden die we, kind zijnde, niet kenden maar dat ze armoe hadden geleden was duidelijk.

Raar vond ik uitspraken als: ‘Weet je nog dat opa K. het verrekte naar het gemeentehuis te gaan terwijl opoe niet wist hoe ze aan brood moest komen? Wat was die man sterk!’ 
Sjonge. Je gezicht niet willen verliezen terwijl je gezin honger lijdt, wat een armoed. Ik zou het juist dapper hebben gevonden als die opa zijn trots opzij zette en het hoofd gebogen had. Dacht ik, verontwaardigd .

Bij het ouder worden begon ik er iets van te begrijpen.
De Bijstandswet bestond nog niet, mensen konden Steun aanvragen, van gemeente of kerk. Geen pretje, bleek uit andermans verhalen. Tot op de cent nauwkeurig werd berekend wat de gezinnen nodig hadden, elk klontje suiker werd als overbodig gezien en bestraft door op andere artikelen te korten. Ook hoorde ik van Steunhelpsters. Veelal dames van betere stand die Goede Werken beoefenden en de arme gezinnen bezochten om de behoeften te onderzoeken. ‘De neerbuigendheid,‘ vertelde een vrouw, ‘was niet te harden.’
Dan krijgt die opschepperige trots een heel andere lading.

Sommige ouderen koesterden hun gevoel van eigenwaarde tot hun dood.
Zij waren trots op hun trots.