Over de kopfoto

Het was bloedheet, zelfs op de dijk waar we fietsten.
We zochten een weggetje naar de Maas, een zandpad, karrenspoor, desnoods een voetbreedte plat gras. Niets te vinden.
Plots zagen we deze geiten.
We keken elkaar aan: wie het eerste is?
De fietsen gooiden we neer en we renden naar het bad. Man won maar kwam het water niet in.
De dieren hieven verstoord hun kop met een duidelijk NEE. Jammer.
Met afgunst zag ik het spul aan, zij lekker kledderend en spattend en wij zweterig aan de kant. Als we ook maar één cm opschoven dreigden hun blikken ons te doden.
‘Kom op,’ zei ik, ‘laat ze verrekken met hun dwarse ogen. We hebben thuis beter water.’
Man gaf het niet op. ‘Als je ons erin laat pluk ik een bos gras als betaling.’ Hij was dan ook zo goed als uitgedroogd.
In een aangrenzend weitje begon er een te mekkeren van pret, ik zweer het je, hij lachte ons uit. Dom geitenvolk.
Toen zochten we een terras en dronken wat fris maar dat was niet hetzelfde.
-=

winter-lente, halfomhalf

De lente nam bijzonder snel winter’s plaats in.
Een paar dagen terug liep ik nog met warme kruiken in mijn schoenen, gistermiddag zat ik buiten. In de zon en uit de wind was het 20ºC, later nog iets meer.
Achterover leunend in de zonnestoel, benen gestrekt en met blote voeten. Groenja met ijs naast me.
Het leven was vurrukkulluk voor even.
Het kostte me dan ook moeite de stoel te verlaten bij het voortgaan van de tijd, ik stond niet op ondanks de nadering van schaduw. Het koelde af en ik rilde maar volhardend bleef ik. Armen en gezicht vingen nog zon die de puntjes van mijn kippenvel verwarmde.  Nog tien minuutjes. Nog vijf.
Tot alleen mijn haar oplichtte.
Gezond verstand overwon. Ik rees op en verdween naar binnen waar de cv eveneens op 20 graden stond en een aangename warmte verspreidde.
Maar het was niet hetzelfde.