Verveeld verhaaltje

Het meisje verveelde zich altijd.
Er was niets dat ze graag deed. Baantjes, clubs, stappen, ze meed het.
Soms ging ze de straat op, maar ook daar was niets wat haar kon bekoren. Meestal ging ze vroeg naar bed, gapend van verveling.
Ze probeerde de sleur te doorbreken door samen te wonen met een man,  toen met een vrouw,  daarna met alletwee tegelijk om uiteindelijk weer alleen te blijven want het was een suffe beweging.
Ze besloot te gaan reizen. Het hielp niet. Gedoe met folders, boeken, bagage, inchecken, hotels en meer hing haar direct al de keel uit en ze kocht zich een eigen raket.
Daarmee vertrok naar bijna eindeloze verten in het heelal en ontdekte onderweg een paar spannende nieuwe planeten. Mooi, maar het spelletje van exploreren en exploiteren werd al gauw een gewoonte en ze richtte haar aandacht op de hemel.
Helaas, die was afgesloten.
Ze kwam er niet in, de portier was duidelijk geïnstrueerd:
GEEN TOEGANG VOOR LEVENDEN. Heel vervelend.
Ze haalde de schouders op en zette koers naar beneden, aarzelde halfweg even bij het vagevuur maar toen ze de saaie bedoening zag van geen-vlees-en-geen vis racete ze regelrecht naar de hel, bekeek de baas van het spul en de bewoners.
Ze vond er niets aan; is dat alles, dacht ze, een doorlopend brandje? Nou, dan kon ze net zo goed naar huis gaan en een pak lucifers aansteken.
Intussen voelde ze de jaren. Ze nam haar intrek in een bejaardenhuis.
Al niksende werd ze erg oud.
Op haar éénhonderdenzevende verjaardag las ze geërgerd het zoveelste duffe telegram van de koning en verzuchtte, ‘Gatverdarrie, ik verveel me dóód.’
En ze stierf.
De begrafenis was een dooie boel.
©

Advertenties

Excursie naar de hel. Verslag

Omdat een saaie hemel me niet aantrekt deed ik mee aan een reisje naar de hel, je kunt maar beter voorbereid zijn.
Welnu, het is daar ook niet alles.
Om te beginnen was de ontvangst naatje.
Een chagrijnige hamel gooide grommend de poort open en maakte ons wegwijs in de hoofdkuil. Toegegeven, een je-weet-wel-bok verdient begrip. Je vraagt je af waarvoor hij gestraft werd  maar hij liet niets los. Verdrongen verdriet, waarschijnlijk.

Het was er heet. Vreselijk heet. Geblakerde zielen verdeden hun tijd met ronddolen. Tussendoor veegden ze de vloer; her en der lagen hoopjes as, overblijfselen van de zwakkeren in deze samenleving.
Bij een kraampje bestelden we een glas fris.
Hadden ze niet, alleen kokende Seven Under en hotdogs met hot sambal. Nou ja zeg.
Gelukkig waren er een paar verdwaalde regenwolkjes, we wrongen ze uit boven elkaars mond. Ze smaakten bijna hemels, wat wil je ook in deze warmte.
In een theatertje werden spannende films aangeprezen: VERBODEN GENOT en DINGEN DIE U NOOIT DURFDE. Een paar van onze groep rende er verlekkerd op af.
Tja. Wie houdt van het eten met open mond, raspend geslurp, wildplassen en openlijk neusgebagger, die komt aan zijn/haar trekken. Evenals degenen die het doen met kikvorsen die nooit van adel blijken.  Mij kon het niet bekoren.
Na een korte bezichtiging in de slaapzalen (vuurkorven met sintelmatrassen en een pook om ze op te schudden) verscheen de baas van het spul.
The Big Mister Satan himself.
Een indrukwekkende verschijning van wie ik me kan voorstellen dat hij iemand op het verkeerde pad zou brengen, een hunk eersteklas. Het is maar goed dat ik hem niet kende toen ik jong was.
Enfin, we kregen een flirterige knipoog en warme poot en stapten in de shuttlebus.
Blij weer thuis te zijn? Ja, zeer zeker.
Het was een verhelderende reis maar we prefereren de aarde.
Voorlopig, in ieder geval.

Nieuwe droom


Een paar dagen na die parad-ijselijke droom over een natuursoort die de mens ontgroeid is en waarin hij danig onthand zou raken, verzeilde ik al slapend in een heel andere wereld.
Veiliger en minder lawaaiig, kalm, vredig; sereen bijna als er geen opgewekte muziek zou zijn. Blije klanken van onbestemde instrumenten die een koerend koor begeleidden. Een hoog Mantovani-gehalte.
Hier en daar zag ik iemand die me bekend voorkwam. Vriendelijk en mild. Waarom ik aan dit woord denk?  Zo zag het er uit. Mild= toegevend, vergevingsgezind.
Dus braaf, saai en sloom.
Het was duidelijk,  dit stelde de hemel voor.
Nu was ik altijd al bang dat het daarboven een stelletje dooie pieren zou zijn maar om het zelf mee te maken is erg. Geloof me.
Enkel een droom, ik weet het, maar dan nog. Zo suf, het idee daar voor de eeuwigheid te moeten verblijven lijkt me eerder een straf. Zouden  hemel en hel verwisseld zijn, vroeg ik me af, hebben we dat altijd verkeerd begrepen?
Het werd me te moeilijk, daarom riep ik de wekker aan en liet me wakker worden.