De werkelijke toedracht was als volgt

De bel ging.
Mijn zus opende de deur, ‘Ja?’ vroeg ze de zwijgende figuur.
Hij wees naar binnen, overdonderd stapte ze opzij.
Meteen liep hij door naar de keuken en bleef staan voor de gootsteen.
Hij zag er eng uit, zwarte vegen op een gezicht waarin de ogen vreemd oplichtten.
Toen vroeg hij: ‘Wilt U mijn handen wassen?’ .
Zus nam een washandje en en deed wat hij vroeg.
Hij wees naar zijn gezicht. Opnieuw maakte ze een washandje nat en veegde man’s gezicht schoon waarbij ze speciaal zijn vreemde ogen in de gaten hield.
Ze gaf hem een handdoek, hij schudde van nee en stak zijn handen weer uit.
‘O sorry,’ zei ze, ‘ik dacht dat U dat zelf kon’. Ze depte hem droog.
‘Wilt U een kopje koffie?’
‘Bedankt, nee, ik moet weg, het werk…’ mompelend haastte hij zich naar de deur en ging weer. Ze keek hem na en begreep er niets van.


Zus was niet echt bang, haar man zat erbij en had het tafereel argwanend gadegeslagen, klaar om in te grijpen.
Ze raakten niet uitgepraat over de man met het eigenaardige verzoek. Achteraf vonden ze hem ’n beetje zielig door die lichte ogen.
Wij, Pa, broer en ik, genoten van het verhaal. We profiteerden volop van de gebeurtenis, zoveel mogelijkheden voor een fantastisch verhaal. De vreemdeling werd een vampier, weerwolf, lustmoordenaar, wraakzuchtige oude vrijer, gevaarlijke gek met messen in de laarzen en wat al niet.
We hielden er een ronkend familiesp(r)ookje aan over.
=