Maan 4

Onrust jaagt me.
Vannacht…
Staand voor het grootste raam zal ik hem zien, breed en vol van glanzend licht, bomen groeten, mijn hart slaat over, en nog eens, staat bijna stil. Ik bezwijm bij het vooruitzicht.
Straks.
Wat kan ik doen, ik wil niet, mijn hart is te zwak, maar ik moet,
de drang is te sterk.

De huishoudster waarschuwt ik raap U niet meer op – ze rilt – straks vind ik een lijk en daar kan míjn hart niet tegen.
‘Neem een hamer,’ smeek ik haar, ‘sla me bewusteloos voor de nacht begint.’
Ze weigert en vertrekt.
Ik huil.
==

E-love


Hij kijkt haar verliefd aan.
Zij knikt naar het opgeheven glas, maakt eenzelfde prositgebaar. Vlugge slokken en het begin van een lach.
Hij opent zijn mond, schrikt, tuit dan zijn lippen: ssst.
Afwachtend ziet ze zijn nu neutrale gezicht dat nietszeggend voor zich uit staart; er slaat een deur.
Ze ergert zich aan het bangeschijtersgedoe.
Kan ze niet beter naar een geschiktere vent op zoek gaan?
Een die niet bang is voor zijn vrouw?
Ze staat op, ziet nog net dat hij zijn ogen weer naar haar toedraait; ‘barst maar’ roept ze, ‘groeten aan je vrouw.’
Als extraatje steekt ze een ordinaire middelvinger op en sluit de webcam af.
‘Sukkel.’
==