Vlees noch vis

Een bekende uitdrukking voor iets onduidelijks.
In dit geval gaat het om mijn voornemen om beide niet meer te eten. Zuivel gaat eveneens in de ban.
En ook het gebruik van delen van dieren; weg met leren schoenen en riemen, eruit met het bankstel en luie stoel. Geen Chinese cosmetica en wat ik nog meer tegenkom.
Kwestie is  alleen dat ik niet weet welk voedsel absoluut diervrij is. Hier in de omgeving is de varkensgeur soms zo penetrant dat alle akkergewassen waarschijnlijk  knorrend de grond uitkomen. Die komen dus niet aanmerking.
Sperciebonen en andere groenten uit ht Middellandse Zeegebied schijnen royaal bespoten te zijn, dat wil ik ook niet eten. Jammer want ze smaken erg goed.
Noten, pinda’s, zaden en rijst en dergelijke moet je maar net lusten. En daarvan de herkomst weten, stel dat er arme mensen zich hebben krom gewerkt om mij aan het eten te houden. Het idee beneemt je de trek.
Nu dacht ik aan waterijsjes en snackpinda’s, rozijnen in een chocojurk en chips. Daar zou ik een poosje op kunnen leven als ik er gezond bij bleef. Maar dat is niet zo zeker.

Wat blijft er eigenlijk over zonder in eentonige peulvruchtenmaaltijden te vervallen? Fruit? Teveel suiker en niet mijn smaak.
Eetbare bloemen? Ik zie de wilde rucola tussen de tegels, jèk, ik lust de tamme niet eens.
Molsla? Brandnetels?
Aanvullen met vitamine- en kriltabletten? De klank alleen al.
Ik denk dat ik het maar bij gras houd, van dat wilde taaie spul dat niet uit te bannen is, hoef ik meteen niet meer te schoffelen.
Met wat plantaardige olie en eerlijk zout wordt het misschien gaar en smakelijk.
Ga ik gezellig op mijn nieuwe houten luie stoel zitten smikkelen.
Met de voeten omhoog, de houten klompen ernaast.
Zodra ik kan loeien laat ik het weten.
==

Schoonmoeders moestuin

 

Herhaling, sorry. Het is op verzoek.

‘Hier staan boontjes, ginds de piepers. Daar de kolen, zie je hoe groot? Kijk, dit gebruik ik tegen ongedierte.’ Ze toonde een giftig goedje en deed de behandeling omstandig voor.
Ik knikte.
Mocht ik me verbeelden iets van tuinieren af te weten dan kwam ik hier tot inkeer.
Dus liep ik zwijgend mee.
Mompelde  over groeizaam weer.
Zei niet wat ik dacht van vergif. Op een aanstaande schoonmoeder maak je liever  geen ongunstige indruk.

Halverwege het tuinpad wilde ik iets aardigs zeggen en wees:  ‘De bonen staan er mooi bij.’
Ze stopte om me vol minachting aan te kijken.  ‘Dat zijn de piepers.’

Dit kon ik niet meer goedmaken.
Pas bij nederige erkenning van stadse domheid accepteerde ze mijn onnozele opmerking.
Dat ik niet eens uit een stad kwam zag ze over het hoofd.
=

Aansluitend vers op vorig logje

Toen ik de keuken leerde kennen
met inbegrip van pot en pan
was het makkelijk te wennen
aan het smaakgebruik ervan.
Zaligheid te combineren
groenten vlees en verse sjuutjes
champignons met kaasfonduutjes
en de smaak te reguleren
tot een tongstrelend menuutje.

Nog steeds zal ik met graagte zoeken
in opwindend-zoete boeken
die getuigen van het eten
ondanks dokter’s beterweten.

Reclameplantjes en herinnering.


Van een vriendin kreeg ik een paar reclamezakjes met grond en kruidenzaden, ik geloof dat de Jumbo ze uitgeeft. Veel hoop had ik er niet op.
En kijk, na veertien dagen zijn het heuse planten geworden, bijna groot genoeg om in de volle grond te zetten. Misschien ga ik ze nog opeten ook.

Bij het verzorgen dacht ik terug aan de dingen die ik zelf uitprobeerde in de achtertuin. Toen ik nog heel erg jong  was, en onnozel erbij.
Vers wilde ik, wortels, radijs, sperciebonen, verschillende bedjes maakte ik en keek driemaal daags dag of er al iets te eten viel. Want het ging me niet alleen om vers, vooral ook om klein. Ik houd niet van vingerdikke slabonen en reuzenradijzen, ook tuinbonen zijn jong en klein het lekkerst.
Maar ja, dat wachten…
Ongeduldig had ik na een paar weken een stuk of tien luciferdunne boontjes en worteltjes geplukt en gekookt.
Echtgenoot keek in de pan, hij kwam niet meer bij van het lachen.
Exit de verse-groenten-fase.

Toen kwam het geldboompje.
Steevast vroeg ik er een met mijn verjaardag tot iemand mijn gezeur beu was en me een potplant gaf met centen, dubbeltjes, guldens, alles vastgeplakt met sellotape.
Ontroerd nam ik hem in ontvangst.
Helaas, ondanks water en mest ging hij dood. Het geld bleef over.
Nou ja, je kunt niet àlles hebben.

Dus houd ik me nu bezig met dingen die wèl groeien.

Warm eten

Rond vijf uur liep ik door de straat.
Etenstijd, een feestje van geuren.
Bradend vlees, ergens stond soep op het menu, verderop nasi of bami en ik denk snert te hebben geroken. Niet alles kon ik thuis brengen, het was allemaal verleidelijk.
Het maakte hongerig.
Ik dacht aan het broodje dat me wachtte. Is ook smakelijk maar met een hoofd vol lekkernijen kwam het me armzalig voor.
Watertandend, kwijlend bijna hield ik mezelf voor: waarom zou ik niet nog eens koken? Wat was er mis met tweemaal op een dag warm eten, het lijkt me juist gezond. Een schaal verse groente en aardappelen met donkere jus, misschien wat extra’s erbij, rijst met kip? Soep?
Zo liep ik met mijn gedachten aan eten te denken dat ik ineens in de supermarkt stond. Ik zweer je, het was niet gepland.
Toen kwam ik tot bezinning en kocht een krop sla. Voor morgen.