Vermoeiende herinnering

Vergeten hoeken heb ik gesopt, garage en schuur moesten leeg om te schrobben.
De serre kreeg een sopbeurt.
En de vliering, die had al jaren geen dweil gezien.
Het kwam door de groene zeepwoede die me in de greep had.
Ik had een pot in huis gehaald om een paar vette dingen op te knappen.
Daardoor herinnerde ik me de verheerlijking van dat spul, vroeger.
Groene zeep, god wat stonk die troep, we waren blij dat moe het niet vaak gebruikte.  Ik weet ook nog dat het goede diensten deed, complete woningen werden ermee gereinigd en blonken minstens twee dagen.

En toen kreeg ik de geest. Dat hoopte ik al al weet ik niet waarom.
Ik leegde en veegde, werkte als een bezetene.
Enorme stofwolken wierp ik op, de KNMI kwam op werkbezoek na telefoontjes van nerveuze buren die meenden een plaatselijke klimaatverandering te aanschouwen.  Daarna belde de vuilnisophaaldienst wanneer ze de afvalhopen konden ophalen, ze belemmerden het uitzicht van het blok achter ons. Enfin, zeikerds heb je overal.  Éven bedacht ik de hele straat te laten onderlopen  maar dat idee liet ik varen.
Zo wraakzuchtig.
Na de commotie kon het echte werk beginnen met emmers heet water en vette klonten Driehoek (bestaat nog steeds).
Daar had niemand last van,  dat schoot lekker op.

Mijn aanval is voorbij.
De pot is leeg.
Nu het verfwerk nog, oud tafeltje en kastje  worden vernieuwd.
Ja, ik heb genoten van het mooie weer.☼

Paard en wij

Hangend over het hek brachten we de tijd door. Paard kwam bij ons staan en luisterde. Af en toe knikte hij.
Een van de jongens was in een etterige bui.
‘Heb je die schoenen van je opoe geërfd?’ begon hij. ‘Weet je dat je naar groene zeep ruikt?’
Reacties bleven uit, ook Paard negeerde hem.
Geprikkeld kwam hij met zwaarder geschut.
‘Hé dikkont, ik zou maar eens wat minder vreten.’ We trokken schele ogen.
‘Je denkt zeker dat je leuk bent, je kunt een paard nog laten lachen,’ pestte de knul.
Verveeld keken we de andere kant op. Paard blies de manen uit zijn ogen en keek met ons mee.
‘Ik wed dat geen van jullie op hem durft te rijden.’
Nu keken we allemaal naar hem.
Hij aarzelde, klom op het hek en tilde een been over de rug. Paard liep weg en daar lag de klier, in het gras en wellicht in een koeienvlaai.
Paard kwam naderbij, hij hinnikte en wij lachten met hem mee.