Weemoed

regenserreIk zit voor een raam, luister naar de regen en lees.
Af en toe is er beweging, een kauw die langs scheert in een korte droogte, een musje. Takken waaien verwoed en sproeien.
Dan is er weer het geruis . Soms in een afwijkende maat door het lek in de dakgoot.
Ik maak een kop nescafé en neem het boek weer op.
Plotseling overvalt me een droefgeestig gevoel. Ik kijk rond, zie dat er niets verandert en probeer het weg te lezen. Maar nee…
Waarvandaan komt die melancholie, dat heimwee naar nooit gedane dingen?
Want je weet niet hoe het begint.
Het duurt en duurt.
Ik kijk naar het boek. Het gaat over dementie, van Nicci Gerrard.
Naar de ramen die zicht bieden op overdadig groen maar zelf een voorbije zomer tonen.
De lucht die te vroeg donker wordt, iets waar ik een gloeiende pesthekel aan heb.
Dan bel ik iemand. Niet thuis.
Daarna een zus. Ze heeft geen tijd.
Alleen de laptop neemt geduldig op wat ik schrijf.
Nu zie ik weer het vaasje bloemen van de topinamboer. Best lief.

Groen versje

Een boerenkool en een stang prei
lopen samen in de wei
‘Weet je,’ zegt de prei aanhalig
‘-ook al is het wat schandalig –
dat ik aldoor van je droom?’

‘Tis toch niet waar?’ spreekt dan de kool
‘van lolligheid en louter jool?’
‘Ach, mijn schat,’ antwoordt de prei
‘waarom zo spottend tegen mij?
Heb jij geen liefdeschromosoom?’

‘Begrijp je niet, ‘zegt kool,  ‘da’k dorst
naar piepers, vette spek en worst.’
hij bezwijmt haast bij’t idee
maar de prei zegt: ‘Jeminee’
en zij bloost beschaamd van schroom.
==
© Bertie

Voor een plaatje is geen tijd, over vijf minuten met ik weg.
Doeg

Wie het oudste wordt

 

Met roken stopte ik al lang
ben matig met drank suiker vlees
draag geen bont, kies katoen
mijd eetcafé’s
eet zoveel mogelijk vers
ik ben al bijna groen
en verdrink zowat in thee.
En dat niet alleen. Ik rijd
milieu-correct
een fiets zonder stroom
wijs vliegen af
draag verantwoorde kleding
stem als het moet
heb een spaarknop op de plee
ik koester mijn bonsaiboom.

Wie weet win ik een jaar
en anders maar niet.
Wie lacht niet die ons heden beziet.

Plant, alleenstaand.

En weer hoort hij er niet bij.
Elk jaar staat hij rechtop tussen de anderen, fier, klaar om de wereld van meel en maïzena te voorzien, de kippen en koeien van voedsel en van nog veel meer
Maar ach, men ziet hem over het hoofd.
Wat hij ook zwiept met zijn bladeren, hoe hij ook roept ‘ik ben wel groen maar ben ook rijp‘ met luide stem die zachter en zachter wordt naar de wegrijdende machine, het baat hem niet.
Dan is het veld leeg.
Hij overziet de stoppels. Niet in staat zich klein te maken krimpt hij figuurlijk ineen en voelt zich belazerd. Voor hem geen machtige hakselaar, hij wordt omgehaald met een simpele handbeweging en aan de kant gegooid. Kan hij opnieuw beginnen met groot te groeien. Vol verwachting naar de toekomst uitzien.  Hopend op een mooie bestemming.
En misschien wéér voor niets. Reïncarnatie tegen wil en dank.
Hoeveel levens kan een maïsplant aan?

Teveel verkeerslichten, dit krijg je ervan

Ongeduldig wacht ze voor het stoplicht.
Jeez, dat duurt lang.
Geïriteerd kijkt ze rond.
Haar oog valt op een porsche, hoei, wat een stuk achter het stuur.
Op voorhand verliefd loert ze naar binnen. Hij kijkt slechts.
Yes! Dit is de man en auto die ze zoekt.
Het licht springt op groen.
Ze drukt het gas in, gelijktijdig spuiten ze weg naar het volgende stoplicht.
Rood, stoppen.
Ze kijkt hem aan, probeert een knipoog. Hij reageert niet.
Wat! Negeren? Haar? Ze kijkt nog een keer, opnieuw ziet hij haar niet.
Hé, weer groen, vlug volgt ze, de blik gericht op de Porsche. Het lijkt een wedstrijd.
Het tafereel herhaalt zich, de man kijkt haar nu bevreemd aan..
Ze let alleen nog op de porsche die razendsnel optrekt. Met moeite houdt ze hem bij en ziet, o god, een afwerend gezicht dat ongeduldig, zelfs verveeld kijkt.
Een geërgerd oog richt zich op haar.
-Neeeee, laat hem stoppen, ik wil hem, hij móet.

Ze komen weer in beweging. Ze wijst  naar rechts, rijdt naar de stoeprand en houdt stil.
Even later parkeert hij achter haar. Haar hart bonst, nu moet hij met haar praten, ha!
Voor ze de wagen uit is staat hij bij haar portier.
‘Ik ga je aangeven, trut. Stalken is verboden.’