Nog meer herfst

Ondanks klimaatveranderingen bewandelt het groen nog steeds de gewone weg.
Najaarsbloemen bloeien, bomen worden kaal, bladeren krijgen mooie kleuren.  Mijn haar wordt ook dunner maar ik hoef niet te rekenen op nieuwe lentegroei.
Spinnen vangen vliegjes en we steken een kaars aan voor de gezelligheid.
Zo komen we de tijd wel door.

Advertenties

Plant, alleenstaand.

En weer hoort hij er niet bij.
Elk jaar staat hij rechtop tussen de anderen, fier, klaar om de wereld van meel en maïzena te voorzien, de kippen en koeien van voedsel en van nog veel meer
Maar ach, men ziet hem over het hoofd.
Wat hij ook zwiept met zijn bladeren, hoe hij ook roept ‘ik ben wel groen maar ben ook rijp‘ met luide stem die zachter en zachter wordt naar de wegrijdende machine, het baat hem niet.
Dan is het veld leeg.
Hij overziet de stoppels. Niet in staat zich klein te maken krimpt hij figuurlijk ineen en voelt zich belazerd. Voor hem geen machtige hakselaar, hij wordt omgehaald met een simpele handbeweging en aan de kant gegooid. Kan hij opnieuw beginnen met groot te groeien. Vol verwachting naar de toekomst uitzien.  Hopend op een mooie bestemming.
En misschien wéér voor niets. Reïncarnatie tegen wil en dank.
Hoeveel levens kan een maïsplant aan?

Teveel verkeerslichten, dit krijg je ervan

Ongeduldig wacht ze voor het stoplicht.
Jeez, dat duurt lang.
Geïriteerd kijkt ze rond.
Haar oog valt op een porsche, hoei, wat een stuk achter het stuur.
Op voorhand verliefd loert ze naar binnen. Hij kijkt slechts.
Yes! Dit is de man en auto die ze zoekt.
Het licht springt op groen.
Ze drukt het gas in, gelijktijdig spuiten ze weg naar het volgende stoplicht.
Rood, stoppen.
Ze kijkt hem aan, probeert een knipoog. Hij reageert niet.
Wat! Negeren? Haar? Ze kijkt nog een keer, opnieuw ziet hij haar niet.
Hé, weer groen, vlug volgt ze, de blik gericht op de Porsche. Het lijkt een wedstrijd.
Het tafereel herhaalt zich, de man kijkt haar nu bevreemd aan..
Ze let alleen nog op de porsche die razendsnel optrekt. Met moeite houdt ze hem bij en ziet, o god, een afwerend gezicht dat ongeduldig, zelfs verveeld kijkt.
Een geërgerd oog richt zich op haar.
-Neeeee, laat hem stoppen, ik wil hem, hij móet.

Ze komen weer in beweging. Ze wijst  naar rechts, rijdt naar de stoeprand en houdt stil.
Even later parkeert hij achter haar. Haar hart bonst, nu moet hij met haar praten, ha!
Voor ze de wagen uit is staat hij bij haar portier.
‘Ik ga je aangeven, trut. Stalken is verboden.’