sneeuwklokjes

Sneeuwklokjesleven

Bij Afanja zag ik lieflijke sneeuwklokjes, prachtig opgenomen.
Daar kan mijn tuintje niet aan tippen, er groeit hier maar één klokje.  Niet lang meer aan de conditie te zien maar toch: een bloemetje met  winterherinneringen.

Hoe het geduldig wachtte tot het mocht bovenkomen en voorzichtig een sprietje uitstak.
Bibberig door een een ijzige wind kwam er een lading sneeuw bovenop, het moet een traumatische ervaring zijn geweest.
Je bent blij dat er in de sneeuwklokjeswereld geen psychische hulpverlening bestaat, het zou finaal ondergesneeuwd raken door therapeutische bombast en, murw geslagen, scheefgroeien met rare eigenschappen waardoor de kwekers aan de klimaatbel zouden trekken en Trump dit ontkende en de hele mikmak.
Dat blijft ze bespaard.
Enfin,  het bloempje gaat een dezer dagen simpelweg ten onder. Het is bekend met dit gegeven en treurt niet, het groeide, bloeide  en verdwijnt.
Zo gaat dat met sneeuwklokjes.
==

versje

Nieuwsgierig

 

 

Om verder te kijken
zijn zicht te verrijken
groeid’hij  per dag
draaide een slag
tot hij de buurt overzag
maar ach
hoe hij ook rekte
zijn bladeren strekte
het had weinig zin.
Een buur en een spin
een slome duivin.
Te min
en hij boog
zijn nieuwszucht vervloog.
Ernstig verdord
bruin en gekort
ineengestort.
Hij mort.

eten

Opschepperij

‘Doe de bessensap, suiker en eiwitten in een kom en klop alles stijf; dien de Haagse bluf direct op.’
Eenvoudig en snel.
Het was te vroeg, de kom ging in de koelkast, afgedekt met een theedoek.
Na een kwartiertje controleerde ik of het gerecht niet inzakte.
Integendeel, de bluf was gerezen tot een berg, de theedoek hing geplet tussen de berg en het bovenliggende rek. Verbluft zette ik de kom op de aanrecht en bekeek het spul. Het trilde en groeide zichtbaar. Het zag er raar uit, enfin, ik schraapte alles in een grotere kom.
Het bleef rijzen.
Het werd te groot, paniekerig propte ik de bibberende boel in een vuilniszak en zette hem buiten neer. Dan maar geen dessert.

Het werd donker, vreemd, zo vroeg al?  Ik keek naar buiten en geschrokken zag ik de ramen bedekt met een rose-witte wolk. Het gaf geluid.
Bewegend, pulserend met een grommend slagwerk, laag, diep, als van een kwaadaardig hart.
Angstig liep ik naar de andere ramen en ja, ook daar rukte de massa schuimend op.
Ik werd ontzettend bang maar durfde niets te doen, vreesde de vreemde schemer.
Midden in het huis staand keek ik rond, er moest iets gebeuren. Ik kon me niet bewegen, mijn god, zag niemand dat er wat mis was, waren alle buren soms doof? Ik riep nieuwe goden aan en bad al hun gebeden
De bluf was inmiddels zilverig en kreeg een vreemde kleur, het leek een buitenaardse dimensie en het aanvankelijke gebrom ging langzaam over in een scheller geluid, nog steeds regelmatig maar luider, het ging gestadig door en ik bestierf het tot ik plots, razend van angst, de deur open gooide teneinde een halt toe te schreeuwen aan… wat? wie?
Stilte, er bewoog niets.
De vuilniszak stond stilletjes op de stoep.
Het was bluf.