De eindeloosheid van pessimisme


Achter de wolken schijnt de zon. Meestal tachtig km verderop.
Na regen komt zonneschijn. En daarna nog meer regen.
Ieder huisje heeft zijn kruisje. De mijne heeft ze allemaal.
Jong geleerd, oud gedaan. Nog ouder vergeet je alles weer.
Honger maakt rauwe bonen zoet. Maar smerig dat ze zijn.
Blaffende honden bijten niet. Tot ze blafpauze nemen.
Vele handen maken licht werk. Moet je net een slome als hulp hebben.
Eigen haard is goud waard. Behalve als je brandhout op is.
Een goed begin is het halve werk.  Tenzij je eerst je enkel verstuikt.
Van een kale kip kun je niet plukken. En natuurlijk te mager voor de soep.
Kleren maken de man. En dan geen smaak hebben.
Spreken is zilver, zwijgen is goud. Kun je de buit ook niet vinden.
Enzovoorts
enzovoorts…
=

Man vrouw hond

Er fietste een meisje door de straat. Een mooi meisje met gebruind middenrif, een vleugje goud in haar navel ving de zon.
Een  man met een houten been wandelde  met vrouw en hond over het trottoir; hij floot bewonderend.
Het meisje  keek hem vragend aan, de man knipoogde.
De vrouw naast hem haalde kalm een bijl uit haar tas—

Een knappe vrouw stapte uit haar wagen bij de supermarkt.
Een man in een rolstoel  keek geïnteresseerd naar de opstropende rok en halfblote benen.
Naar de tas van zijn vrouw en de hond die een enorme kluif torste. Tenslotte bekeek hij mismoedig  zijn lege broekspijpen.
Hij floot niet.