Weerman, onbestendig.

‘Goedenavond dames en heren. Het sneeuwt en dat blijft de eerste dagen zo. Lastig op de weg maar prachtige beelden van het landschap…’
volgende dag
‘Het sneeuwt buitengewoon veel. Prachtige beelden maar lastig op de weg.’
dag 3
‘Het sneeuwt maar door. Prachtig en lastig.
dag 4
‘Het sneeuwt nog steeds. Lastig, prachtig…’
dag 5
Zucht. ‘Het sneeuwt, blijft dat zo?’
dag 6
‘Sneeuw….’
na een week
‘Sneeuw, snik…’
achtste dag
‘SNEEUW, o mijn god… sneeuw, neee…’
negende
‘Goedenavond dames en heren kijkers, ik val in voor onze vaste weerman die opgenomen is met acute depressieverschijnselen en als die kl… sneeuw nog lang duurt GA IK HEM ACHTERNA’
‘Goedenavond iedereen, ik ben de Verschrikkelijke Sneeuwman..
===
Advertenties

Als je maar lang genoeg getrouwd bent ga je vanzelf op elkaar lijken.

Hij loopt met verkoudheidsverschijnselen.  Gaat naar bed en komt er weer uit; hangt op bank of stoel en staart treurend naar buiten. Herhaaldelijk grijpt hij met grote gebaren naar de stapel tissu’s  om neus- en keelverschijnselen op te vangen die hij  met aanstootgevende gretigheid opwekt. ‘Volgens mij heb ik een zware griep, waar is de thermometer?’
Dramatisch reikt hij naar de rol keukenpapier en dept, zwaar ademend, zijn gezicht, zijn hele hoofd en nek.
Een nieuwe hoestbui dient zich aan.
‘Uchchchhgrrr, de zakdoeken zijn op, geef me een tafellaken…
ik lust wel een zacht gekookt eitje, schijnt te helpen bij griep.’

Zij loopt met een gevoelige rug. Als een plank beweegt ze naar een keukenstoel, rijst weer op en sleept zich naar de pc. Ze diept vanuit haar tenen een zucht op en rolt met de bureaustoel naar de koffiepot. Reikt, zielig, niet ver genoeg. ‘Ik kan er niet bij, help even, dank je’.
‘Wat een ellende,’ kreunt ze.
Met een lijdzaam gezicht strompelt ze door de kamer, wankelend valt ze in een leunstoel en schrikt weer overeind. ‘Au…die onverwachte bewegingen, het is vast spit. Mijn god wat word ik bezocht.’
Ze zakt door de knieën, kruipt hijgend naar de keuken; de laatste meters doet ze in tijgersluipgang.
Bij de koelkast gaat ze staan.
‘Ik kan ook wel een zacht eitje gebruiken.’

Godssprookje

Jezus staat aan de rand van de hemel. Hij kijkt naar het mensenvolk met een ontevreden blik en zucht.
– Wat een trouweloosheid zie ik daar, mompelt hij, -alles hebben we voor dat stelletje gedaan, niet alleen hemel en aarde geschapen, voor dieren, zon en klimaten gezorgd, bijzonderheden ingevuld en denk je dat ze dankbaar zijn? Pfffft… –
Hij ziet wel grote groepen  die hem vereren,  maar elk onder een andere naam en veelal  tot eigen eer en glorie.
Van oprechte aandacht voor hem is geen sprake, het is gewoon beledigend.
Hij draait zich af naar zijn werkkamer om zich te dompelen in verdriet.
Lusteloos roept hij Godle op, tikt in:
Wie denkt aan mij?
Nul hits. ‘Geen resultaten voor ‘Denken aan U’
Hij denkt even na en verandert de zoekopdracht in
Wie denkt aan god?
In dikke blauwe letters verschijnt de vraag:
Bedoelde U misschien:  wie denkt er nou aan god..?
-Dit…dit bestaat niet, dit kan niet waar zijn. O mens, waarom heb je me verlaten?   Dikke tranen van gekwetste trots rollen over zijn gezicht.
Verbitterd belt hij zijn vader.
‘Wat moet ik nou?’ weent hij, ‘die mensen, ze vergeten me te aanbidden..’
Zijn vader zucht, dat gedoe ook altijd met die ijdeltuit. Was de hoofdrol in die bijbel hem niet genoeg?
Dan zegt hij:
-Zoon, je gaf ze toch die eigen wil? Wat verbeeldde je je dan, dat ze constant op hun knieën zouden liggen?
-Maar pa, Ik was toch het beeld waarnaar ze moesten streven? En moet je nu eens zien..
-Jongen, er zit maar één ding voor je op: rustig afwachten tot de wereld bijna vergaat, dan roepen ze je weer aan. Tot die tijd doe je een siesta, ik wek je wel. Goed?
Gerustgesteld zoekt Jezus een plekje in zijn hemelbed.
En gaat slapen.

©