‘Ik moet je wat vertellen…’

Ik wil dood.
Wàt zeg je??
Ik wil dood.
– Maar.. waarom?
Ik vind er niets meer aan.
Hè? Wáár niet aan? Aan mij? Ons gezin?
Nergens aan.
– Wat mankeert er dan aan?
Niks.
Ik weet dat je het leven saai vindt..
Dus wil ik dood.
– maar dood willen om de sleur te ontlopen? Dat is toch…
redelijk?
– Ik… dit geloof ik niet..
Nee?
– Ik sta verstomd.
Ach.
– Wat zou je graag willen?
Dood.
Neenee. Ik bedoel, ècht, héél erg graag.
Dood.
– Toe nou lief, noem es wat. Iedereen heeft wel een bijzondere wens.
Nee.
Je weet niet…
wat?
– weet je wel wat je me áándoet?
Ik weet het.
– Maar je wilt evengoed…
dood.
– Zal ik een afspraak maken, huisarts, psych?
Nee.
– Alsjeblíéft schatje, is er soms iets gebeurd?
Nee.
– Please, wat is er mis met een sleur? Iederéén maakt dat mee..
En?
– Waarom kan jij er dan niet mee leven?
Er is niets aan.
godnogantoe, ik moet je dus vermoorden?
Waarom niet?
– Dit is.. dit..  hier, neem ‘n glas wijn.
Nee.
dit is niet te gelóven.
Luister eens,
– disgewoonidióót
gooi er nou dat spul in.
– wat móet ik met je
toe nou, schat
– durf je het zelf niet?
één handeling
– ik kan niet..
en je bent van me af.
———
– zo goed dan?
Dank je.
===
ps
Dit gesprek is verzonnen.

3. Lieftallige Lina en de knallendroze luidspreker.

Lina besloot de veelkleurige geluidswagen achterna te lopen, dan zou ze vast wel begrijpen waar het bericht  over ging.
‘Pruttel’ bijvoorbeeld, wat zou dat betekenen? Hoorde dat bij een spannende film? En wat waren verse spelers?
Hopelijk -en dat was wat ze eigenlijk wilde- ving ze een glimp op van de inzittenden, die met de donkerbruine tochtlatten en zwoele onderlip, riep hij haar naam met zijn romantische stem.
Op voorhand verzaligd verliet ze de bibliotheek en rende naar buiten.
De knalroze luidspreker blèrde nog steeds ‘…in dit theater, verse spelers…’ Dan, rochelend, ‘krrrrppgstchchcht-burp … pardon… pànggg...’ De knal was ijselijk, de luidspreker schaamde zich vuurrood. De inzittenden geneerden zich ook, ze deden meteen de gordijnen dicht en parkeerden bescheiden uit het zicht om te wachtten op de dingen die komen gingen. Godot misschien.
Het werd stil op straat. Ook daar werd gewacht. Op terroristen of ET of op de bel van een ijsverkoper.
Er gebeurde niets.
Lieftallige Lina, verre van lustig nu, stond verloren. Wat moest ze nou? Geen uitsluitsel over de film, geen sexy lip en tochtlatten, kortom, niks romantiek. Zo zou haar hoofd het lentegevoel nog kwijtraken.
Bedroefd belde ze  vriend Willem.
Die had geen tijd om te luisteren, hij was druk met opruimen na zijn verjaardagsfeest.
Ze probeerde buurman Mark. Die was strafregels aan het schrijven: ‘Ik mag niet liegen’.
Tante Erica dan maar. Ze was wel oud maar altijd vol begrip en ze reageerde dan ook enthousiast. ‘Kom vanavond maar uithuilen, met een glas wijn komen we er wel uit.’

© Bertie