Hersenen en zwezerik

Onlangs sprak ik de vrouw van wie de man graag gebakken hersenen at. Het was een feestmaaltje voor hem.
Ze haalde herinneringen op. ‘Hij heeft er tot zijn dood van gesmuld en vond het jammer dat de rest van het gezin de keuken uitliep als hij ze weekte en bakte, zelfs de uien konden het niet goedmaken. En het stonk ook nog.
Ik heb ze nooit geroken en er ook geen behoefte aan.
Wel weet ik nog hoe ze eruitzagen, zwemmend in een plastic bakje, bij de slager. Net als op het plaatje maar bloederiger en vellerig, als een tros aangeschoten wormen. Veel klanten trokken een vies gezicht.
Het was het idee dat tegenstond, orgaanvlees is al niet aantrekkelijk maar dit lijkt het ergste.
Bijna,  zwezerik , de gedachte aan een kind op je bord vind ik nog akeliger. Pervers eigenlijk al weet ik dat het onzin is.  Sterker, het werd beschouwd als een luxe lekkernij.
Maar wie weet hoe smakelijk het is. En hoe we zouden oordelen in tijden van hongersnood.
Voordat iemand zich aan het eten van deze vleessoorten waagt is het lezen van  dit stukje over hersenen  van Johannes van Dam misschien interessant. Het is het weten waard.
Voor beginnelingen: in het oude kookboek staat een eenvoudig recept.
Eet smakelijk, wie weet word je er pienter van.
Advertenties

Hemelse hemel?

In de hemel komt alles goed, werd ons verteld. Daarmee hield (en houdt) men gelovigen zoet en vooral volgzaam. Niets nieuws, deze chantage wordt in veel religies gebruikt.
Het heeft niet geholpen.
Van de katholieken is dat begrijpelijk, we leerden al jong alle zonden te biechten om met een schone ziel opnieuw te beginnen dus gingen we onbezorgd door met het snoepen uit de koektrommel. Stiekem uiteraard, wereldse straf woog zwaarder.
Nog afgezien daarvan leek die hemel me, kind zijnde, weinig attractief.
Wie wil er nou de godganselijke dag naar hemelse muziek luisteren terwijl er in snackbars volop bebopalula was te horen? Almaar bidden en god vereren? De wekelijkse hoogmisgezangen waren al beroerd genoeg.
Maar het ergste vond ik het idee dat we allemaal één grote gelukkige familie zouden zijn, als een liefdevol gezin, volgens de oude pastoor.
Met mijn ruziebroertje? Ik kon hem (toen) niet luchten.
Een paar buurkinderen die altijd knokten? No way!
Een hatelijke onderwijzeres, dat vreselijk mens? De gedachte deed me rillen.
Die jonge weduwe? Hoe zouden zij en haar man elkaar willen terugzien, vast niet als broer en zus.
Het idee stond me tegen temeer omdat je een geest was, lekker eten was er dus niet bij. Ja, een kind denkt logisch. Of simpel. Of juist pragmatisch.
Later las ik over het Walhalla, De Eeuwige Jachtvelden, het Elysium en meer hiernamaalsen.
Je kreeg ze nooit voor niets. De goden stelden eisen en weet je wat? Het waren gewoon de eisen die in een samenleving nodig zijn om de boel redelijk draaiende te houden.
Geven en nemen.
Zonder overspannen geloofswetten maar toen ik dat besefte was ik al lang kind af.