Kerstsfeer leeft maar 24 uur.

Maya20211225_102449-1Of je alleen of met meerderen bent, kerks of niet,  met kerstmis in aantocht zweeft er altijd iets door de lucht.
Je ontkomt er niet aan, ook als je er niets aan vindt.
De lockdowns verpesten het behoorlijk maar er blijft iets van verwachting hangen. Vrolijk, met tegenzin misschien maar het is merkbaar.
Tot de volgende ochtend.
Dan is de magie weg.
Zolang ik me kan herinneren voelde ik het, als kind al en nu nog.
Enerzijds is het een opluchting, zodra de logé’s weg zijn vlieg ik van logeerbed naar stofzuiger en wasmachine.
Anderzijds hang ik daarna rond en zoek naar iets, ik weet niet wat.
Het zijn uren om iets anders te doen, zien, horen.
Bijvoorbeeld luisteren naar dit snelle pianostukje, gespeeld door  Yuja Wang.
Ze speelt  iets van Prokofiev
Ook als je niet van klassiek houdt is het bewonderenswaardig om te zien.
Duurt iets minder dan vijf minuten.  Daarna een zucht van opluchting: ze heeft het gehaald.
Nu is alles weer gewoon.
==

Gewoon.

De fotoklus is bijna klaar, ik kan me weer op het heden richten.
En watsienik?
Covid 19, corona, besmettingen, lockdowns,  als afleiding de presidentsverkiezing in Amerika.
Even kwam de koning er tussen maar die is al weer koest, voorlopig.
Natuurlijk, het is van belang dat we ingelicht worden.
Toch was ik blij met een paar pagina’s ‘gewoon’ nieuws in de kranten.
Al is niet alle nieuws even fraai, het lijkt gewoon. En dat zet je weer aan het denken.
‘Vind je dit gewoon? Mooi is dat.’
‘Maar, het is, eh… je weet wel, tirannie en oorlog, die dingen. Dat is toch gewoon zo?’
Tssss, treurig.
Nou ja, nu weet ik zelf niet meer wat ik bedoel.
Het zal de klok zijn die me uit evenwicht brengt.
Krijgen we de normale tijd terug, verlang ik naar de zomer van vorig jar toen corona nog niet uitgevonden was.
Het is ook nooit goed.
Gelukkig heb ik nog een stapeltje oude foto’s om over te piekeren.
Deze halfgesmolten kaarsen uit 2009 bijvoorbeeld.
Ik weet nog steeds niet wie die te dicht bij/op de verwarming heeft gezet.
=

Weer even weg geweest/weggeweest.

Waarheen en waarom, is de -dubbele-  vraag.
Nou gewoon, weg. Daarom.
Het ‘gewoon’ was zeer geslaagd.
Het ‘daarom’ een fijne aanleiding.
Ik kan het iedereen aanbevelen, neem het er eens van en ga gewoon. Zomaar.

Daarom is geen reden’ heette het vroeger.
Dat toenmalige onbegrip, niet te geloven.
Men zei maar wat, vooral opvoeders lulden een end weg.
Ouders, onderwijzers, buurvrouwen, (niet-)kerkelijken, tantes en zussen, veel van hen wisten een kind uitgekookt te manipuleren met dit regeltje.
Onder een dwingende blik, acuut schuldgevoel en gehoorzaamheid opwekkend, verraadde je doel en reden van wat dan ook.
Soms was de nieuwsgierigheid bevredigd, niet altijd.
Afhankelijk van opvoeder’s karakter hengelde men naar details. Die je niet naar behoren kon uitleggen want een kind kent zichzelf niet altijd, ook vroeger niet. Je wist nog niet  wat ze wilden horen.
Gelukkig waren er smoesjes.
Als katholiek had je die altijd in voorraad, dit in verband met de biecht die al vroeg werd behandeld zodat je er tijdig het nut van inzag.
‘Waarom stal je die koekjes?‘ Luid gefluister.
‘Ik had zo’n honger…’ Quasi zielig.

Ik dwaal weer af.
Maar ik ben weer en blog.
==

Oud geluk-nog ouder geluk→→→Adam+Eva begonnen er mee.

Van de week hoorde ik dit liedje.
Toen was geluk heel gewoon
En weer werd ik bevangen door een negatief gevoel.
Het zelfde heb ik met vergelijkbare nummers als Het Dorp
Waarom? Ik weet het niet maar ik vermoed dat het de vroeger-verheerlijking is die me tegenstaat.
Begrijp me niet verkeerd, we hadden het goed, beginjaren vijftig
De zaterdagavond leek enigszins op die van het liedje, eerst in de grote teil, er was iets lekkers bij de koffie, broer luisterde naar ‘Sprong in het Heelal’ en ik mocht meeluisteren al was ik jonger, terwijl de groten andere dingen deden, er werd gelachen. (Toen nog) zonder borrels. Het was knus.
Waarom dan die hekel? Misschien het kneuterige woordje ‘knus’?
Het stoort me ook als de tijd erna afgekraakt wordt.
Alsof we later allemaal plastic rozen hadden, onze kinderen nooit gelukkig waren, ze alleen maar in modderplassen zouden moeten zwemmen, op doorgegeven fietsen rijden.
En wat zeggen die weemoedigen als hùn vader opschept over zìjn jeugd?
‘Ja hoor, daar gaan we weer…’
‘Dat was vroeger…’
‘Je leeft in het verleden, opa…’
en…
Dat is het! Nu snap ik het.
Het moeten sprookjes zijn die doorgegeven worden zolang er mensen zijn.
En er zijn mensen die er in willen geloven en het op hùn beurt doorgeven.
Dat ik het niet eerder begreep.

ps Ik geloof niet in sprookjes.