Oud papier z.g.a.n.

Vanmiddag heb ik alle opgehoopte reclame en kranten netjes in dozen gestopt.
Een klein karweitje dat eens per maand gedaan wordt tbv de ophalers.
Twee van de dozen zijn gevuld met nieuw spul, te weten streek-, kerk- en winkelbladen, aanbiedingen en zo.
In het weekend komt een deel ervan in één stapel binnen, verpakt in een soort zacht plastic. Heel attent. Reuzehandig om meteen naar de schuur te brengen.
Waarom ik geen nee-neesticker op de brievenbus plak?
Een paar jaar geleden had ik die.
Tot iemand me er op wees dat de lokale clubs niet voor niets het papier ophaalden,  de opbrengst was voor hun kas. Vreemd vond ik dat, het was bekend dat papier nauwelijks iets opleverde. Als de gemeente niet bijdroeg zou het de moeite niet waard zijn.
Maar goed, om de verenigingen te steunen laat ik de sufferdjes en de rest weer bezorgen .
En bedenk wat een wonderlijke omweg ze gaan.
Nieuwe bladen worden gerecycled en verwerkt tot nieuwe bladen. En weer, en weer. Ik ben niet de enige die ze niet leest, het moet om een massa papier gaan.
Niet dat ik het erg vind.
Ik ben te gierig om donateur te worden,  hiermee geef ik nog iéts.
Voelt braaf.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Papier-_en_kartonafval
==
Advertenties

Over trots


Een eigenschap die door sommige mensen hogelijk werd gewaardeerd, nog steeds.  Een bepaald soort trots. Je te groot voelen om hulp te vragen, zelf alles willen oplossen. Hier dacht ik aan bij het overlezen van ze-wilde-zelfstandig-blijven/
Als kind begreep ik niets van het idee.

We hoorden gesprekken waarin ronkend verhaald werd van ‘liever honger dan de hand ophouden’. De sprekers keken zegevierend rond, de meeste aanwezigen knikten. Niemand van hen zou het openlijk toegeven als men wèl financiële hulp  had aangevraagd.
Ze spraken over tijden die we, kind zijnde, niet kenden maar dat ze armoe hadden geleden was duidelijk.

Raar vond ik uitspraken als: ‘Weet je nog dat opa K. het verrekte naar het gemeentehuis te gaan terwijl opoe niet wist hoe ze aan brood moest komen? Wat was die man sterk!’ 
Sjonge. Je gezicht niet willen verliezen terwijl je gezin honger lijdt, wat een armoed. Ik zou het juist dapper hebben gevonden als die opa zijn trots opzij zette en het hoofd gebogen had. Dacht ik, verontwaardigd .

Bij het ouder worden begon ik er iets van te begrijpen.
De Bijstandswet bestond nog niet, mensen konden Steun aanvragen, van gemeente of kerk. Geen pretje, bleek uit andermans verhalen. Tot op de cent nauwkeurig werd berekend wat de gezinnen nodig hadden, elk klontje suiker werd als overbodig gezien en bestraft door op andere artikelen te korten. Ook hoorde ik van Steunhelpsters. Veelal dames van betere stand die Goede Werken beoefenden en de arme gezinnen bezochten om de behoeften te onderzoeken. ‘De neerbuigendheid,‘ vertelde een vrouw, ‘was niet te harden.’
Dan krijgt die opschepperige trots een heel andere lading.

Sommige ouderen koesterden hun gevoel van eigenwaarde tot hun dood.
Zij waren trots op hun trots.