Als kind…

…schreef ik een boek
een heel dik boek
van minstens zestien vellen;
over Moortje onze kat
van ouders als een rechtend pad
en liefderijke zusmodellen.
Ook de school kwam aan de beurt
uiteraard in roz’ gekleurd
dan de kerk met god en hemel,
zaligzinnelijk gefemel
van engelen die braafheid kweelden
zoet als bloemen.  Woorden streelden
en penseelden
zacht mijn kinderlijk geloof
voor realisme was ik doof.
Gehoorzaam schreef ik mijn verhaal.
Een kind is willig materiaal.
© Decomenik

Goed gesprek.

Pa, ik ga in vastgoed.
– Jongen toch, we hebben je netjes opgevoed…
Is dat zo? Dan maar in de politiek, lijkt me ook wel wat.
Toe joh, nu hebben we nog een goede naam…
Oké, wat vind je dan van bee-enner?
Waarom zou je dat doen zoon, je bent toch redelijk intelligent?
Ja zeg, dat wordt wel moeilijk. Het geloof dan maar?
In godsnaam, blijf alsjeblieft op het rechte pad!
Nou eh, dat schiet niet op; ik denk dat ik maar Niks wordt.
Geweldig, nu kun je alle kanten op.
Wat maak je ons hier blij mee, dankjewel mijn jongen.

Stilzitten

Kom, dacht ik, wederom na de lunch, laat ik eens een middagje niet bewegen, dat schijnt met deze warmte gezonder te zijn voor hart, bloedvaten, hersenen, loopneuzen en kunstgebit en nog veel meer.
Vroeger was ik daar erg goed in, in stilzitten; menigmaal dacht de visite dat ik een setje vormde met het Mariabeeld terwijl ik alleen maar Arendsoog zat te lezen.
Nu heb ik geen Mariabeeld, ook geen Arendsoog trouwens. Het enige aanwezige beeld is een zilverkleurige bolle boeddha, probeer daar maar eens mee samen te gaan. Je zou denken dat hij mijn kleine broertje was.
Niettemin ondernam ik een poging,  ik geloofde er in.
Het viel niet mee.
Het geloof  zat te diep,  ik zat stil tot ik verstijfd was en een therapeut moest roepen om benen, rug en de rest recht te trekken.  Het hielp ook niet tegen de hitte, de tropen bleven gewoon hangen.
Ik kan het niet aanbevelen, dit advies en het geloof nog minder.
Morgen spring ik weer op de fiets.  Nou ja, springen…

Zondag werd vrije dag

De zondag was nog min of meer heilig in de jaren vijftig; niet alleen werken, ook zwemmen en fietsen was verboden.
Alle gelovigen gingen die dag naar de kerk, lopend, meer een soort wandelmars  zonder stopwatch. Katholieken en  christelijken vormden de hoofdmoot, ieder naar hun eigen dienst.
Wij kinderen verveelden ons suf. Eerst moest je mee naar de mis die lang duurde. Daarna gingen we buitenspelen; omdat de kleren netjes moesten blijven bleef het bij gedwongen rondhangen want zondagse jurken en broeken waren van alle gezindten. We waren blij als pa en moe ons meenamen voor een wandeling naar het park.
En toen, op een dag, mocht er gefietst worden op zondag. Later ook gezwommen. Het werd een heuse vrije dag waarvan je mocht profiteren. Een zaligheid, temeer daar we als roomsen de eerste waren.
Raar dat zoiets je bij blijft, het triomfantelijke leedvermaak tegenover andersdenkende buurkinderen: wij mogen  fietsen en zwemmen en jullie lekker niet.
De zege was van korte duur, na luttele maanden (of weken) gaven dominees hun gemeentes dezelfde vrijheden. Kerkelijke gezaghebbers ontkwamen er niet aan, zeker niet in de geïndustrialiseerde Zaanstreek.
Geloof het of niet, ondanks  mijn scepsis betr. de bijbel komt deze stap nog af en toe bij me op
Hoe blij we hiermee waren.