Ganzentrek

Luid gakkend vlogen ze rondjes.
We zwaaiden naar ze, wezen naar het noorden, dan naar het zuiden, ze trokken zich niets van ons aan.
Ik weet dat een groep naar het noorden gaat en andere soorten in West-Europa blijven of een paar kilometers verderop gaan wonen, maar niet welke dat zijn.
Ze wisten het zelf ook niet.
Hun geruzie klonk schel.
‘HIERRRR blijven’ riep er een naar een paar uitbrekers.
‘Bekijk het, we maken een nieuwe V’ was het antwoord, ‘we willen niet bij jullie.’
De rest bemoeide zich ermee, alles vloog door elkaar.
Andere vogels streken er nieuwsgierig omheen, er werd gelachen, getjilpt, gekrijst, gekrast, het werd een pan van jewelste.
Wij stonden op de grond en keken ernaar.
Door de wanordelijkheden werd het al moeilijker de diverse soorten te onderscheiden.
Tja, als ze zichzelf al niet uit elkaar kunnen houden hoe moet ik het dan weten?
Domme gansjes, zou je haast denken, net mensen.
Enfin.
Na langdurige bekvechterij kwamen ze tot overeenkomst en formeerden ze zich op de juiste manier.
Soort bij soort.

Winter in zicht


Vanmorgen liet zich een vlucht ganzen zien en horen. Dat laatste vooral.

Het leek een oefening;  ze vlogen rondjes, niet in V-formatie, bleven minutenlang in hetzelfde gebiedje hangen voordat ze verdwenen..
Met lichte weemoed keek ik omhoog en ze na.
Herfst bezorgt me elk jaar gemengde gevoelens.
Avondmist in de nazomer, de eerste nachtvorst. En nu de ganzen. Winter in het verschiet. Een oeroud liedje, ik weet het.
Het zou in mijn stemming  verschil maken als we konden uitzien naar sneeuw en ijs en barre kou.  Met televisiebeelden van ingesneeuwde opritten en wegglissende fietsen, de kat met een witte rug die bevroren muizen binnenbrengt (sorry voor de dierenvrienden) en dan, na de dag, in de luie stoel te zitten met het vooruitzicht op een ijzige nacht onder een slaperig  dekbed.
Boek en tablet binnen handbereik.
Zo’n winter die ik nu pas waardeer.