Mijn geliefde kerstster


Een beeld was het, hij sprong eruit tussen honderden andere met zijn dieprode bladeren, fluwelig en rijk. Stevige voet in mooie aarde.
Pittig rechtop in een goeie pot.
Ik kon hem niet weerstaan en nam hem mee. Hij paste precies voor het keukenraam en stond daar zo feestelijk te wezen dat ik elke dag koekjes voor hem bakte. Of een taart. Soms een lekker maaltje maakte. Dan weer een patatje haalde. Hij lustte het niet maar ik wel.
Zo hadden we het heel genoeglijk samen.

Toch was hij niet gelukkig. Er verdorde een tak. Daarna twee. Hij tierde niet en ging zienderogen achteruit.
Bladeren vervaalden tot dorre ritsels. Ik gaf meer water, toen minder, baadde hem in geurige olie waarna hij definitief de geest gaf en tenslotte begroef ik hem naast de jeneverbes.
Daar ligt hij dood te wezen.
Zonder steen, mocht hij aan reïncarnatie doen moet hij eruit kunnen. In dat geval hoop ik dat hij een paar bessen kan oppikken, het maakt de start zoveel prettiger.

Feestelijke maaltijden eet ik nog iedere dag als een vorm van rouw, een geliefde kan ik niet zomaar loslaten.
Het is mijn trouwe aard.

Advertenties

Een vlieg in de winter

Er zat een vlieg in de slaapkamer. Zo een die je meestal in de zomer ziet, diepzwart met een fluwelig rompje en minipootjes.

Vanmorgen werd ik wakker en knipte de lamp aan. Toen zag ik hem, op het nachtkastje. Ik keek naar hem. We knipperden niet, bleven doodstil wachten tot de ander begon. Het duurde lang, tè lang.
‘Ga weg,’ zei ik, ‘ga naar je moeder’ want hij was klein voor zijn leeftijd.Misschien gekrompen tijdens het verdwalen.
Hij bleef zitten.
Ik zette het raam open en wapperde om hem weg te sturen.
Hij ging niet.
Toen nam ik een tissue om hem voorzichtig op te pakken en uit te laten.
Hij was dood. Ja, zo kan ik het ook zonder te knipperen.