Ik leef mee

Er hing een geur sigaren en cognac. Het overviel me bij het lezen over een bruiloft.
Nou weet ik wel dat mijn verbeelding gauw op hol slaat maar dit ging me te ver, ik lag in bed!
Anderzijds vind ik het juist lekker om me in te leven. Zoals er gezwijmeld wordt bij plaatjes van poesjes, hondjes en ander dierlijk liefs zit ik ademloos boven vertellingen met beeldende taal. Ik ben geen filmfan maar stel me voor dat kijkers hetzelfde ervaren.
Soms charme, soms keiharde rotzooi. Ziekte, ellende en dood horen daar ook bij.
Met die laatste onderwerpen is het oppassen, is de sfeer tè indringend dan voel ik me niet lekker en roep mezelf tot de orde: stel je niet aan.
Je kunt nu eenmaal niet alle narigheden uitbannen, ook niet in films en romans. Zelfs veel kinderen lezen en zien liever zieligheden, enge dingen en opwinding.
Met elkaar in tegenspraak is het wel: ontspanning dient levensecht te zijn, op zich al een contrast voor velen.
Maar ja, een ‘gewoon’ leventje is niet veel aan, dat hebben we thuis meestal ook.
==

Spionnenpaar deel 1

Er was eens een echtpaar. Een heel uitzonderlijk paar.
Hij was een vlotte vent en maakte een solide indruk. Hij oogde krachtig van bot en had een gevoelig uiterlijk.
Hij deed iets vaags in een bureau en was intelligent en geestig.
Kortom, hij was àf.
Zij was een knappe meid met een huid als roompap. Haar slanke lichaam bewoog zich op volmaakte benen, haar haar had de kleur van hoog-zomergraan en golfde precies zo.  Ze was iets onduidelijks in het ziekenhuiswezen waar haar uiterlijk alleen al de patiënten genas.
Ook zij was àf.

Dit voorbeeldige echtpaar woonde al enige maanden in een huis dat, voorzien van bediendes, paste bij hun uiterlijk.
Zij hadden een taak.
Zij moesten de aarde bestuderen en hadden daartoe een aangepaste uitmonstering gekregen.
Tot op een dag…

‘Schat,’ zei hij aan het ontbijt, ‘ik verveel me.’
‘Ik ook, ‘ was haar antwoord.  ‘Vind je niet dat we ons beter  moeten aanpassen? De mensen om me heen zijn geen van allen zo fatsoenlijk en saai als wij.’
Hij knikte. ‘Dat was mij ook opgevallen. Ik ben finaal uitgekeken op dit spionnenbaantje. We nemen stiekem ontslag.’
Ze dacht na. ‘Zullen we eerst leren ons te gedragen als echte mensen? Om te weten hoe te lachen?’  Om te beginnen haalde ze hard en gorgelend haar neus op.
Hij keek haar uilig aan en vroeg: ‘Is dat grappig?’
‘Weet ik niet, maar ik hoor en zie de hele dag hun lijfelijke functies en ze vervelen zich geen moment.’
Hij bekeek haar wat kritischer.
‘Misschien moeten we wat lelijker worden. Zo onecht als wij erbij lopen zie je alleen in hun films.’
‘Bedoel je dit?’ Ze trok anderhalve tand uit haar bovengebit. Hij staarde haar verbouwereerd aan en schoot in een aardse lach.
‘Nee, dan dit.’  Hij rukte een dot haar uit zijn achterhoofd en plakte het met appelstroop onder zijn neus, ‘een aardse snor, ha, eh, ha’.
Ze raakten door het dolle. Ze verschoven hun oren tot ze klapperden en knoopten hun kleren scheef dicht, draaiden  broekritsen naar achteren, ze smeerden mayonnaise op hun hoofd ter blondering.
Ze lachten zich suf.

Morgen de rest.