Jannes’ euthanasie.

Jannes luierde op zijn wolk en gaapte zo luid dat Petrus appte: kan het wat minder? We hebben een naam hoog te houden.
Jannes haalde de schouders op. Fatsoen was niet meer zijn pakkie an.
Hij draaide zich op zijn buik, de verveling was niet te harden.
Rondom zag hij overledenen jarenlang klem zitten in vastgeroeste verwachtingen van eeuwige jachtvelden, rijen maagden, vage nirwana’s, Elyseïsche velden en wat er ook maar beloofd was.  Wat hadden ze verwacht? Actief doodzijn? De sukkels.
Hij krabde een kijkgat in zijn wolk voor de Blik Op Aarde.
Hm, interessante hemelvaarders waren wel aardig, spraakmakende reïncarnaties ook en de doorgewinterde prostituee in het lijfje van een biggetje was ronduit absurd.
Tot nu.

Jannes had er genoeg van, Petrus kon de pest krijgen met zijn fatsoen. Hier had hij niet om gevraagd.
Hij diende nogmaals een verzoek in: mag ik nu definitief dood?
Het mocht.
En hij ging.
==

Nette mensen

Teruggrijpend op het vorige logje denk ik aan de strengheid van de jaren vijftig.
We waren een arbeidersgezin, niets deftigs aan.
Katholiek, met protestantse en christelijke buren en meer soorten kerkelijken.
Allemaal dezelfde mensen, een viswinkel, bloemist en postkantoor, bushalte. Gewoner kon niet.
Toch was er een zekere stand. Een triestig soort waar we nu de schouders over ophalen maar toen heette het: als het er maar netjes uitziet..
Achter veel voordeuren speelden zich onverkwikkelijke zaken af maar naar de buitenwereld wilde iedereen zich keurig voordoen.
We vloekten niet, scholden niet in het openbaar, voortuintje was altijd geharkt, we droegen handschoenen naar de kerk en meer van dat.
Wat fatsoen betreft waren het barre tijden, we verslikten ons er zowat in. Deze opvattingen bestaan nog steeds
Geen wonder dat als  tegenspel de hippietijd omarmd werd.
Zonder dat we het over neukwater hadden.
.