Fruitbomen in bloei.


Daarmee  begon het.
Dan hoefden we maar te wachten tot we stiekem naar het erf konden.
Als indianen door het gras sluipend zochten we naar afgevallen peertjes. Of appeltjes, wat er maar op de grond lag.
Lekker waren ze niet. Hooguit een paar centimeter dik, groen, onrijp en bitter, door de boom als overschot afgestoten.
We aten er gretig van. We moeten gekokhalsd hebben maar dat herinner ik me niet.

Gestolen goed gedijt niet.
Straalmisselijk werden we, krampende buikpijn was ons deel en elk jaar kregen we iets lulligs te horen als ‘het gaat wel over voordat je een jongetje bent.’

Achteraf denk je: wat bezielt kinderen.
Tegen beter weten in, buikpijn op voorhand incalculerend en boze ouders erbij. Vooral mijn vader werd razend, we mochten helemaal niet op het erf komen.
En toch deden we het weer.
Ik geef niet graag toe dat we dom waren, maar wat dan wel?
==

Advertenties

Vroeger was het anders

Hoogzomer. Warm en zonnig.
Hoe we de dag ook doorbrachten, na de avondmaaltijd was het een verveeld rondhangen op het erf, zorgvuldig uit het zicht van moeder blijven, startklaar om niet te gehoorzamen.  En dan, verwacht en onverwachts tegelijk de onvermijdelijke roep:  binnenkomen jullie!
Gehoorzamen deden we natuurlijk toch, wat anders?  Met tegenzin slenterden we het huis in en deden de rituelen.

Bedtijd terwijl de zon nog scheen,  erger kon niet.
Onder te warme dekens luisterden we nieuwsgierig naar de groten. Pa’s stem klonk af en toe, Moe deed een woordje, helaas verstonden we er niks van. Verderop de ritmiek van een weverij. Het behang werd donkerder.
Tenslotte waren er alleen nog de kikkers, ze kwaakten ons in slaap.
Zo ging dat.