(Bijna-)zomertuin.


Het is lekker buiten. Weliswaar weinig zon maar het voelt niet koud en de regen viel vannacht al.
Aandachtig speur ik  de natte grond af naar groene punten, gooi er hypnotische krachten tegenaan en warempel, hier en daar verschijnt er een.
Bladeren verstrengelen zich
Een rozentak wringt zich door een buurplant, verderop nestelt een Siberische lis in de varen en ontfermen een paar siererwten zich over een andere roos. De campanula doet ook mee, zoals gewoonlijk bemoeit die zich overal mee.
Elk jaar zie ik het gebeuren, een paar groepjes staan te dicht opeen en kunnen elkaar niet ontlopen. De ruimtes groeien dicht.
Veelkleurig als Europa behalve dat ze geen ruzie maken, je zou er weemoedig van worden.

Er zitten ook eenlingen tussen.
In de hoek waagt een ui zich aan de oppervlakte, de rest wacht af hoe het uitpakt. De pioen heeft veelbelovende knoppen. Vroegerikken worden al wat kaal.
Enkele zielenpoten in potten doen niks ondanks de good vibrations die ik ze stuurde, ze geloven er niet in.
Daarentegen groeit de druivenklimop alsof hij de wijn al proeft.
Al met al een levendig wereldje op een handvol vierkante meters.
==

Advertenties

Samenspraak


In de klas
Hoeveel is vijf en zes?
– Elluf.
Elf dus. En nu iets anders Waar halen we de eieren?
– Die legge de kippe.
Hm. Maar waar kopen we ze?
– Bij de kreudenier. En de Koperaasie.
In de winkels, ja. En de melk?
– Die komme ze brenge.
Gaan jullie wel eens het weiland in?
– Nee hor, daar worrik as de dood zo bang.
Maar een koe is toch een mak dier?
– Je kemmewat, ze zijn veel groter dan ik. En kwijle dasse doen!

Denk er hoge zangerige uithalen bij en je hebt zo’n beetje onze kindertaal.
Ondertussen verbeeldden we ons dat we ‘netjes’ spraken. Niet als een paar oudjes die  ‘aiselijk plat’ Zaans praatten en waar we niets van verstonden.
De keren dat ik – na de verhuizing naar Brabant – op bezoek was in de streek viel het me pas echt op.
Met gene dacht ik terug aan een nieuw kind in de klas. Een Brabants meisje dat zo zijdezacht sprak dat niemand haar begreep.
Met nog meer gene aan de eerste keer dat ik in Brabant naar school moest: ze verstonden me amper. Stomverbaasd was ik, ik sprak toch netjes? Dacht ik.

Na een paar jaar zei de Hollandse tak dat we verBrabantsten.
En de Brabanders meldden dat we nog steeds Hollands spraken. Het deerde niemand en is waarschijnlijk herkenbaar voor alle verhuizers.
Een woordenloos gesloten akkoord.
Zo versta je elkaar.
-=

koken en vakantie

Schat, ga jij even naar de bakker? Het brood is op.
– Okee.. tot zo.
Ben je nou al terug?
– De bakker is met vakantie en de supermarkt is op slot.
Echt waar? Nou, dan leen ik wel wat bij de buren. – Krijg nou wat,  links en rechts zijn ze niet thuis.
– Zullen we een aardappelsalade maken? Smaakt toch ook?
Goed idee maar de piepers zijn op.
– Dan haal ik een zakje. – Barst. De groenteboer is  met vakantie…
Nou zeg, dat  valt me tegen. En de slager? Voor een biefstukje.
Ben al weg. – Nope. ik vraag me af of we nog wat te eten krijgen vandaag.
Ach wat, we hebben elkaar toch?
– Klopt,  je bent om op te eten, jammie…  maar de vettent is ècht lekker.