Gezinsperikelen. Toen.

Overvolle kasten.
Ken je dat? Een zakdoek pakken en meteen in dertig andere spullen grijpen?
Bij een vriendin zag ik het met haar naaikistje, voor velen een beruchte warboel. Wilde ze een naald pakken, kwam de complete inhoud mee.
Het rommellaatje in de keuken is nog steeds  bijna standaard en heeft de functie van moeders schort overgenomen. Wat daar niet in zat leek niet belangrijk.
Bij het openen van de kinderkasten riep ik uit ‘waar komt de troep vandaan’ en nog een keer als ik de gereedschappenbende in de schuur bekeek, domein van echtgenoot. Hij had meer voorraad dan menig ijzerhandel, maar dan ongesorteerd.

Het zal liggen aan gemakzucht: gooi maar ergens neer als het maar uit het zicht is. Zo komt het nagelschaartje in de broodtrommel terecht en verdwijnen vette  boterhambordjes onder de bank. Keurig opgeruimde huizen van collega-moeders  bekeek ik dan ook sceptisch. Ik wist.

Inmiddels ben ik een generatie verder. Wat ik nu nog opruim zijn zinloos bewaarde herinneringen waar de glans vanaf gaat. Je zwelgt niet blijvend in een kindertekening of dat eens zo-sexy-shirtje.
Geen rommel meer en dat plakkerige wijnglas achter de laptop?
Is van mezelf.

Advertenties

Bang voor onweer

Oud stukje. Echtgenoot is er niet meer, mijn angst nog steeds.

‘Het onweert…’ kwam ik binnenvliegen. Echtgenoot keek op, ‘het is nog ver.’
‘Weet ik,  het is evengoed èng.’
‘Wat dondert het,’  probeerde hij  maar ik kon er niet om lachen.
Nerveus liep ik naar boven, mijns ondanks gefascineerd door de aparte lichtval die donderbuien met zich meebrengen. Rrrrrrommmmm klonk het, plotseling vlakbij;  geschrokken rende ik weer naar beneden.
Van de keuken naar de serre, stil blijven zitten is niet weggelegd voor een bangerd.
Een dikke wolk barstte open.
Hoog-opspattende druppels, regennevels die van dak naar dak joegen deden me de camera grijpen maar door een keiharde knal  trilden mijn handen teveel en opnieuw vluchtte ik, ditmaal naar de veilige huiskamer waar ik mijn man wist.
Mijn trooster, veilige haven, mijn superman.
Die stoïcijns voor de  televisie bleef zitten.

Serie. Een hebzuchtige vrouw.

Er was eens een vrouw zo vreselijk hebzuchtig dat ze de maan zou grijpen als ze er bij kon.
Alles wat ze mooi vond wilde ze hebben, niet was er iets nieuws in de mode of ze rende al naar de winkel. Haar vriendinnen vonden het vervelend. Nooit konden ze geuren met een exlusief kledingstuk,  de vrouw ging onmiddellijk naar de ontwerper en bestelde hetzelfde.
Dit strekte zich uit tot meubilair, huisraad, vervoermiddelen, eigenlijk tot alles.
Haar huis was zo vol dat ze haar echtgenoot de deur uit deed wegens plaatsgebrek,  hij moest wijken voor de nieuwste hometrainer.
Het huis werd te klein en de garage ook, alle vertrekken waren gevuld van vloer tot plafond.
Uiteindelijk wilde ze een grotere woning hebben.
Helaas, ze had  geen geld meer.
Haar baan betaalde niet genoeg, leningen stapelden zich op. Banken en winkeliers maanden tot betaling. Zelfs webwinkels hadden genoeg van haar en deleten al haar bestellingen.
Kniezend zat ze in haar te kleine huis, ingeklemd tussen tafels, stoelen, radio’s, fietsen, kledingrekken en eindeloos veel meer. Ze staarde naar haar overvolle tuintje waarin veel meer bloemen en planten stonden dan er plaats was.
Ze bedacht dat ze in ieder geval heel veel schulden had.
Zo graaide ze door het leven.

Oude spullen

Dit logje uit 2004 is blijvend actueel,  zeggen mensen om me heen.
De vliering staat nog steeds half vol, nu met nieuwe oude spullen. Echtgenoot is niet meer. Andersom was me liever geweest maar waarschijnlijk hadden we dan weer andere oude spullen.

Daar zit ik dan, klaar om op te ruimen.
Links van me ligt een oeroude GSM. Hij doet het nog.
Rechts ligt een nieuw mobieltje. Hij doet het beter en nog veel meer.
Op een plank staat een gewoon telefoontoestel waarvan de indertijd hooglijk gewaardeerde eigenschappen (Handsfree! TIEN voorkeuzenummers!) volkomen achterhaald zijn.
Vóór me staat een nieuwe pc met alle toeters en bellen, eenvoudig te bedienen door zelfs de grootste elektronische minkukels.
Op de grond staat de oude pc met de gecrashte harddisk.Hij doet het niet meer.
Op een schap huist de nieuwe CDspeler naast de oude die nagekeken moet worden. Dan zou ‘ie het weer doen.
In de keuken speelt de radio, de vorige staat kapot in de kast.
De vliering is een opslagplaats van platenspelers, wisselaars, bandrecorders, cassetterecorders, videoapparatuur, televisietoestellen in diverse maten, stereocombinaties en tientallen andere ooit begeerde ontspanningsdingen. Zij doen helemaal niks meer.

Ik kijk naar de luie stoel. Daar zit mijn echtgenoot die naar mij kijkt terwijl ik dit stukje typ op het nieuwe keyboard. Hij denkt waarschijnlijk ook aan alle afgedankte spullen.
Ik lach naar hem: wees maar niet bang schat, ik zal jou niet op de vliering zetten.
Hij lacht terug: waarom zou je ook, ik doe het nog.