Platonisch


Het begon met een klimroosje links en een kleine druivenplant rechts.
Ze groeiden op tot knappe jongelui en bekeken nieuwsgierig hun wereld, het groen, wendden de ogen af van muren en buren, draaiden zich naar de overkant. En wat ze daar zagen…
Roos werd nog roder, druif stak wiegend zijn ranken uit, ze kwamen bij elkaar en verloren zich de rest van de zomer, een verrukkelijke periode van verliefdheid die opbloeide tot ontroering en inspiratie van alle andere planten en insecten en vogels.
Hij voelde haar doornen niet, zij had maling aan zijn oorwormen, ach, liefde is  stekeblind.
Na deze eerste uitbundige toenadering bespraken ze een nieuwe date voor de volgende lente, gehaast, voor ze in winterslaap gingen.
En zie, elk voorjaar is de zoetheid meer zichtbaar, sneller worden ze groot, vooral roos groeit zo vlug dat haar bloemen achterlopen, ze reikt en reikt en druif doet zijn best, ook hij wikkelt zijn ranken op de weg naar zijn roos.
Over een paar dagen is de ontmoeting weer daar. Dan openen zich de knoppen, trosjes vormen zich, takken krullen van genot.
Ik raak er steevast van onder de indruk.
Zo gelukkig, zonder seks.
Dat moet wel ware liefde zijn.
=

Voorjaarstuin

Vandaag vijftien plantjes de grond uitgekeken

tientallen dikke knoppen aan de druif geteld
twee blaadjes van waterlelies op zien komen
dunne pootjes van een klimop zag ik groeien
enkele pioenstekken rood zien worden
ontelbare campanula’s breidden zich uit
en nog zoveel meer dat ik er duizelig van werd.
Voorjaarsgekte bestaat.
Een mens zou er haast van gaan dartelen.

Theater in de achtertuin

Oh herfstig lot, roept varen uit.  Hoe vreeslijk bruin wordt mijne huid.
Is dat al, zegt druif, reëel. Zie dan mijn blad vergaan tot geel.

Leverkruid zwijgt, hij schaamt zich rot. Hij waant zich kleurloos en  bespot.
Nee, dan cosmea. Met een kleur roept zij zich uit tot fine fleur.
Mis, roept groene passiebloem. Ik ben nog fris, aan mij de roem.