Er zit weer leven in het dorp

Met blije verbazing bekeek  ik de heringerichte terrassen.
Er staan paaltjes met een koord waaraan de boodschap: voetgangers oversteken. De  trottoirs zijn bezet met  tafel en stoelen, passend gerangschikt op corona-afstand.
Natuurlijk heb ik begrip voor de horecaondernemers en ik bewonder hun lef:  de  stoep nemen ze gewoon mee.
Het is ook niet erg,  omlopen voor een paar terrassen in het centrum is niet te veel.
Alleen, ik verwachtte er niets meer van. Ik raakte gewend aan de levenloosheid, zielloosheid, doodsheid – you name it- van het dorp.
De weekmarkt uitgedund tot anderhalve man en een paardenkop. Gesloten cafés  en eethuizen, hoogstens een afhaalloket, bank op slot, bibliotheek ook, geen films, niets te doen in het park,  geen clubfeesten, alle dingen die een plaatsje leefbaar maken,
En nu zijn ze er weer.  Niet allemaal  maar dat hoeft ook niet.
Alsof de zon en warmte besteld waren zaten er direct weer fietsers, straks komen de campinggasten, een enkele toerist.
De boodschappen doe ik met nieuw plezier al mag de afstand in de supermarkten van mij blijven.
==

Oud en wijs genoeg? Vergeet het maar.

‘Wat  moest ik ook alweer doen in de keuken?  Uhm… o ja, de koffiemelk pakken.’
‘Ik weet toch zéker dat ik hier die sleutels heb neergelegd.
‘Ga ik voor brood naar de winkel, vergeet ik het alsnog.’

Van die dingen. Niet dagelijks maar het wringt.
Was ik blij dat ik bij het volwassen worden eindelijk niet meer die doos-zonder-deksel was (mijn moeders woorden), ga ik nu weer terug in de tijd.
Om bang van te worden.
Het is dat ik veel mensen ken die hetzelfde meemaken en toch gezond ouder worden, anders zou ik ernstig denken aan een naargeestige nabije toekomst: een reisje back to basic.
Dementie.
Het is een schrikbeeld. Het kost me moeite om niet iedere kleinigheid te interpreteren als een aanwijzing in de trant van ‘Zie je wel? Daar heb je het al.’ Daarom houd ik me voor dat het logisch is.  Alles slijt, het geheugen ook. Je kunt minder onthouden.
Daar klamp ik me stevig aan vast.
Aan dit, eh, aan wat ook alweer??

Van eikels en miniknaks

Niet nadenkend, vaag rondkijkend, zo liep ik naar de winkel.
Plotseling zag ik iets bekends op de stoep liggen.
-Hé, een miniworstje. Wie verliest zoiets nou?- dacht ik.
Een stukje verderop lagen er nog meer. Ik snapte er niets van tot ik een gescheurde vuilniszak zag waar van alles uitpuilde.
-Natuurlijk, daar komen ze vandaan- begreep ik.
Ineens viel het me op dat de hele straat bezaaid lag met miniworstjes. Wat raar.
Toen pas zag ik dat het geen worstjes maar eikels waren.
-Och ja, oktober, het is er de tijd voor-  herinnerde ik me.

Ter verontschuldiging: ze lijken echt op elkaar.  Als je vluchtig kijkt. En niet nadenkt.
Bent wat mijn moeder noemde: een doos zonder deksel. (het woordje doos had toen nog geen bijbetekenis)