Vrijdag de Dertiende


Opstaan aan de verkeerde kant. Bons, kunstbeen vergeten.
Douchekraan te heet. Met de rechterhaak smeer ik brandzalf op de linkerhand. Au, grrrr.
Verder geen narigheden tot de hond me begroet, de lieverd.
Hij springt schouderhoog voor een stevige lik en… hè? donker?? Jasses, hij heeft het goeie oog geraakt en het glazen ziet niks. Halleluja, daar word je wakker van.
Tastend vind ik de kraan en spoel mijn oog schoon. Dit gaat tenminste goed.
Koffie. Ik zet …. wat krijgen we nou? Een bijl in de deur?  Brandweer dringt binnen, paniek, ik word naar buiten gezwierd, wasterandehand??
Niet te geloven,  s
taan de bovenburen in de fik en ik had niks gemerkt, gehoorapparaat ligt nog in het zeepbakje.
Moet de dag nog beginnen..

Kunstbeen, haak, glasoog en hoortoestel gooi ik resoluut in de vlammen.
Ik heb er toch niets aan.
=

 

Advertenties

E-love


Hij kijkt haar verliefd aan.
Zij knikt naar het opgeheven glas, maakt eenzelfde prositgebaar. Vlugge slokken en het begin van een lach.
Hij opent zijn mond, schrikt, tuit dan zijn lippen: ssst.
Afwachtend ziet ze zijn nu neutrale gezicht dat nietszeggend voor zich uit staart; er slaat een deur.
Ze ergert zich aan het bangeschijtersgedoe.
Kan ze niet beter naar een geschiktere vent op zoek gaan?
Een die niet bang is voor zijn vrouw?
Ze staat op, ziet nog net dat hij zijn ogen weer naar haar toedraait; ‘barst maar’ roept ze, ‘groeten aan je vrouw.’
Als extraatje steekt ze een ordinaire middelvinger op en sluit de webcam af.
‘Sukkel.’
==

Koud, bang en koffie


Lekker weer vandaag.

Toch werd het vamiddag kil in huis. Vreemd, cv brandde, ramen waren gesloten.
Zou de val van een paar weken terug me opbreken?  Daar had mijn temperatuur toch niets  mee geleden?
Nog maar eens de ronde doen en een kop hete koffie zetten. Alles was dicht, thermostaat op 22°.
Ik bleef koud. Mijn brein begon te werken, zou ik iets mankeren? Een of andere enge griep? Op het platteland kun je van alles tegenkomen met die beesten overal. Huisartsenpost bellen? En wat moest ik dan zeggen? ‘Stuur alstublieft een spoedambulance want Ik heb het zo koud’?
Dat durfde ik niet.
Toch liet het me niet met rust. Rillerig haalde ik een deken en kroop op de bank om de mogelijkheden te overdenken.
Het moest welhaast kouwe koorts zijn en godweetwat er ging gebeuren als er niet snel een oplossing kwam. Was er onlangs niet iemand overleden aan onderkoeling? Hoorde ik daar een plofje? Sloeg het al op de hersens? Laat het de brievenbus zijn, bad ik wanhopig en strompelde naar de voordeur.
En die…  stond half open, waaide wat en sloeg zachtjes dicht. Terwijl ik keek kierde het weer, opende verder en weer terug. Een windvlaag.  De stiekemerd, telkens achter mijn rug openwaaien.
Opgelucht, inwendig beschaamd, draaide ik hem in het slot.
Ik nam nog maar eens koffie. En vroeg me af hoelang die deur van het slot was geweest. De hele ochtend? Had iemand het gemerkt? Zat er niet een of andere killer onder bed? En dan? Buks mee naar boven of de broodzaag?
Het zweet brak me nogmaals uit.
Pfffff…..
Zo lastig om een bangebroek te wezen.